H. Lidwina van Schiedam, maagd
(eigen lezingen)
Eerste lezing: 2 Korintiërs 5,14-17 [IV 136]
Evangelie: Johannes 12,24-26 [IV 137]
Inleiding
'Wij roemen op het kruis van onze Heer Jezus Christus.' Dat zingen we vandaag op het feest van de heilige Lidwina van Schiedam, een lijdensheilige én een heilige van eigen bodem. Zij is ook een heel herkenbare heilige. De plaats waar ze vandaan komt, Schiedam, was in de tijd van Lidwina - zij is geboren op Palmzondag 1380 - een onaanzienlijk stadje aan de Maas; een onbestraat stadje van vierhonderd houten huisjes, waar de mensen leefden van visserij en binnenvaart. Haar naam is ook herkenbaar. Hij is afkomstig van de Germaanse naam Lidewij en dat betekent: mensenvriend. In het woord Lidewij zit weer het woord liud, dat wij kennen van onze woorden: lieden en lui, het volk, en het woord viu betekent: toegewijd, gewijd. Lidewij, een mooie naam. Zelf was ze ook mooi en vrolijk, én ze was vroom.
Toen zij zestien jaar was, kwam zij, toen zij met een paar vriendinnen aan het schaatsen was, te vallen op het ijs. Zoals we dat allemaal kennen, denken we al gauw als er iets gebeurt, dat het allemaal wel zal meevallen. Maar het blijkt helemáál niet mee te vallen. De heelmeester wordt erbij geroepen, hij kijkt, geeft een drankje en vertrekt. Later wordt er nog een dure arts uit Delft geraadpleegd, ook hij komt, snijdt een paar bulten weg en verdwijnt ook. Echter, de gezondheid van het meisje gaat almaar achteruit, ze wordt zieker en zieker; haar lichaam dat overdekt is met gezwellen, raakt steeds meer verlamd, ze kan haast geen voedsel meer verdragen, haar ogen en oren worden almaar slechter, maar ondanks dat alles houdt ze een zeer heldere geest. Ze ligt gekluisterd op bed in een kleine kamer. Ze kent de reacties van de mensen om haar heen, ook van diegenen die haar nabij zijn, de vriendinnen komen haar steeds zeldzamer bezoeken en blijven tenslotte geheel weg. Zoiets is natuurlijk ook heel moeilijk om aan te zien, vooral als het om een leeftijdgenoot gaat. Moeder heeft het druk met het grote gezin van negen kinderen en kan dit zieke kind er eigenlijk helemaal niet bij gebruiken. Vader zit naast haar bed en lijdt mee. En Lidwina? Ook dat is herkenbaar, ze is één en al opstandigheid. Waarom? Waarom moet juist zij nu zo ziek zijn? Waarom?
Dan komt er een kapelaan aan haar bed en deze brengt haar de heilige communie en praat met haar over de zin van het lijden. Lidwina reageert fel, ze is woest. 'Moet ik dan offeren voor mensen met gezonde benen, voor mensen die hier niet durven komen, omdat ze bang zijn voor besmetting? Maar goed, ik zal het lijden van de Heer gaan overdenken.' Ze verdeelt haar dag in zeven delen, leest en herleest telkens het lijdensverhaal van Jezus. Ze bidt en kijkt met de ogen van haar hart naar de gekruisigde Jezus, en heel langzaam komt er een verbondenheid met de Verlosser, een verbondenheid die zo uniek en sterk wordt, dat ze naar het lijden begint te verlangen. Ze aanvaardde niet alleen het lijden dat haar werd opgelegd, ze verlangde zelfs naar meer.
Dat was de eigenlijke verandering, het eigenlijke wonder. Het behoort namelijk tot het wezen van de mens, bijzonder van de jeugdige mens, om zich met hand en tand tegen ziekte en lijden te verzetten. Je zal maar ziek zijn en daar maar passief neer moeten liggen. Die verandering bij Lidwina moest dus heel diep in haar binnenste plaatsvinden, ónder de gewone menselijke gevoelens; een diepte waar niemand toegang heeft, ook zijzelf niet, alleen God. Daarin speelde de eucharistie dan ook een beslissende rol; de eucharistie, die niet alleen de transsubstantiatie bewerkt van brood en wijn, maar ook de transsubstantiatie, de wezensverandering, van het menselijk hart. De communie werd toen nog maar heel zelden aan mensen gegeven, ook niet aan zieke mensen, hoogstens één keer in de maand. Ook aan Lidwina werd de communie maar heel zelden gegeven, maar de keren dat ze de Heer in de communie mocht ontvangen, heeft die verandering in haar wezen plaats gevonden. In zekere zin is ze een 'eucharistische heilige'. Die verandering die de eucharistie in mensen teweeg kan brengen, heeft inderdaad ook in haar plaats gevonden.
Beginnen wij dan eerst onze schuld te belijden, dat wij niet in die diepere mogelijkheden van de eucharistie en van ons eigen hart durven af te dalen, om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft,
blijft hij alleen:
maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort.
Wie zijn leven bemint, verliest het;
maar wie zijn leven in deze wereld haat,
zal het ten eeuwigen leven bewaren.
Wil iemand Mij dienen, dan moet hij Mij volgen;
waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn.
Als iemand Mij dient, zal de Vader hem eren.
Homilie
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u." Als Jezus zo begint, dan kun je al bevroeden wat er komt. Het zijn altijd onverdraaglijke, onbegrijpelijke, onverteerbare woorden die op dat "voorwaar, voorwaar" volgen; woorden waaraan je als mens aanstoot neemt, waaraan je je ergert, waartegen je in opstand komt; woorden die alleen maar te begrijpen zijn, als je dat 'Ik' van Jezus goed kent. Als Hij zegt: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u", dan bedoelt Hij daarmee te zeggen: Het is waar omdat Ik het zeg. Als je Jezus naar zijn hart kent, en niet naar het vlees, zou Paulus zeggen, "naar de oude maatstaven", dan komen er onherroepelijk woorden van Jezus, die ook de heilige van vandaag, Lidwina, zo opstandig maakte, toen de kapelaan haar namelijk zei dat haar lijden zin had voor de zondaars. Dan komen ook inderdaad die onbegrijpelijke woorden: "Wie zijn leven bemint verliest het." Wie voor zijn leven opkomt, wie toegeeft aan zijn natuurlijke drang om te overleven, wie zich met hand en tand tegen het lijden verzet, verliest daarmee zijn leven.
Je moet wel heel diep afdalen in Jezus om te zien wie Hij eigenlijk is, afdalen in zijn Hart, waar Hij ook dezelfde gevoelens heeft als iedere mens. Want ogenblikkelijk na de woorden van deze perikoop uit het evangelie van sint Jan komen die menselijke gevoelens van ons ook in Jezus naar boven: "Nu is mijn ziel ontroerd. Ik ben in de war. Wat moet Ik zeggen? Vader, redt Mij uit dit uur (Joh 12,27.28), Ik wil er van af. Het zijn dezelfde gevoelens die Jezus in de Hof van Olijven deed zeggen: Abba, Vader, laat deze beker Mij voorbijgaan" (Mc 14,36; vgl. Mt 26,39; Lc 22,42). Dat zit er in Jezus' hart: menselijke gevoelens. Hij heeft een menselijk hart. Maar Jezus heeft ook een goddelijk hart, Hij heeft een God-menselijk hart. Het is een hart van vlees en bloed, maar het is ook een hart waarin goddelijke gevoelens de boventoon voeren, want vanuit nog dieper in zijn hart komen andere gevoelens naar boven, gevoelens van overgave, gevoelens van genegenheid voor de wil van de Vader, gevoelens van genegenheid voor ons. "Niet wat Ik maar wat Gij wilt, volgt er dan ook direct op zijn gebed om de beker aan Hem voorbij te laten gaan (Mc 14,36; vgl. Mt 26,39; Lc 22,42). En ook op zijn bede: Vader, red Mij uit dit uur, Ik wil niet, laat het aan Mij voorbijgaan, volgen de woorden: daarom juist ben Ik tot dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw Naam!" (Joh 12,27.28). Ga Uw gang!
Die verandering die er in Jezus' hart kwam, is de eigenlijke openbaring, is de eigenlijke verlossing. Die openbaring, die verlossing heeft Jezus ook teweeg gebracht in Lidwina's hart: van verzet naar overgave, van overgave naar verlangen. Dat gebeurde niet omdat het moest, omdat anderen dat tegen haar zeiden, omdat ze niet anders kon, gedwongen, nee, dat kwam van binnenuit, vanuit haar hart.
Dat zijn dus mogelijkheden die behoren tot het menselijk hart. Als je tegen offers verzet voelt, - en wie voelt dat niet? - zou je moeten proberen om dieper af te dalen in je hart. Je zou je niet zo in paniek moeten laten brengen door de gevoelens van opstand en verzet, van opstandigheid of verwarring. Laat die er maar zijn. Er is nog een andere dimensie in je hart, díe dimensie waar de Zoon van God de heilige Geest, zijn eigen heilige Geest, in je hart heeft uitgestort, een geest van bereidheid, van overgave, ja, zelfs van verlangen naar datgene waartegen iedere mens zich van nature, vanuit het diepst van zijn wezen, verzet.
Hoe kom je nu op dat diepere niveau? Hoe kom je tot die diepere mogelijkheden van het menselijk hart? Die kun je niet bereiken, als je niet geleerd hebt eerst afstand te nemen van je gewone menselijke gevoelens, gevoelens waarvan je eigenlijk geen afstand kunt doen, maar waar je wél afstand van kunt nemen. Dat je die gevoelens hébt, maar niet bént. Dat je niet zo met je gevoelens meegaat, dat je er in onder gaat, dat je er in opgaat. Proberen je zo te onthechten en te versterven ten aanzien van je eigen 'ik', van je eigen gevoelens die zo warm en vertrouwd zijn, en zo helemaal onderdeel van jezelf zijn geworden, om zo binnen te komen in de diepere lagen van je wezen, waar de verlangens van het goddelijk hart zijn.
Onthechting aan je gevoelens dient ervoor om je door je diepste gevoelsbewegingen te kunnen laten meenemen en te laten veranderen. Daarom is het nodig ook elkaar die heftigheid van gevoelens in de gewone omgang te besparen, want daarmee haal je anderen uit die diepere gevoelens weg, uit dat begin, wat sint Paulus noemt: "De nieuwe schepping", de nieuwe mens. Zou je dat niet aan een ander gunnen? En gun je dat ook niet aan jezelf? Het is in ieder geval God zelf die het je wel gunt, en die in iedere eucharistie die nieuwe mens in je begint te scheppen.