Eerste lezing: 1 Koningen 17,7-16
Evangelie: Matteüs 5,13-16
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Gij zijt het zout der aarde.
Maar als het zout zijn kracht verliest,
waarmee zal men dan zouten?
Het deugt nergens meer voor
dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden.
Gij zijt het licht der wereld.
Een stad kan niet verborgen blijven
als ze boven op een berg ligt!
Men steekt toch ook niet een lamp aan
om ze onder de korenmaat te zetten,
maar men plaatst ze op de standaard,
zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn.
Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen,
opdat zij uw goede werken zien
en uw Vader verheerlijken die in de hemel is.
Homilie
Dat Elia aan de weduwe vroeg: "Wees zo goed en haal in uw kruik een beetje water voor mij, was al heel wat, in die droge tijd, toen zelfs de beek volledig uitgedroogd was. Maar toen hij ook nog vroeg: Wees zo goed en breng ook een stuk brood mee, ging hij echt te ver; het antwoord van de weduwe liegt er dan ook niet om: Zowaar de Heer leeft, ik heb geen brood meer." Het lijkt misschien een wat uitzonderlijke situatie, maar het komt onder mensen méér voor dan je denkt: je hebt je huishouden aan kant, je wilt net boodschappen gaan doen en dan gaat de telefoon - iemand vraagt om uitgebreide aandacht. Je zit op hete kolen, maar je laat niets merken, want dan heeft er weer iemand geen luisterend oor. We leven toch al in zo'n jachtige tijd. Ander voorbeeld: er is de hele dag tegen je gesproken en nu wil je zelf ook wel eens je verhaal kwijt, maar er is niemand die naar je wil luisteren, want de huisgenoten hebben het hoogste woord. Of andersom: Je komt 's avonds moe thuis, je kunt geen pap meer zeggen en het lijkt wel of iedereen net jou moet hebben.
Hier, in de communiteit, zijn het allemaal weduwen van Sarefat: ze hebben alles weggegeven. Niet aan een eigen zoon of dochter, maar aan God. Allemaal hebben ze een heel klein beetje vrije tijd voor zichzelf, maar dan klinkt het: 'ach zuster, kun je me even komen helpen?' Weg laatste beetje tijd. Dat is wat de kleine Theresia noemt: 'je laatste rechten afstaan'. Of een ander voorbeeld uit het leven gegrepen: alles past precies in de dagorde van het klooster, maar onverwacht brengt een vriendelijke boer de zusters vijfentwintig kisten tomaten!! Wat een werk ineens dat niet kan wachten! Of een hete zon maakt ineens alle aardbeien overrijp. Om dan met Elia te zeggen: "Vreest niet, eerst voor mij." Het wonder van Sarepta gebeurt elke dag opnieuw. Door de naastenliefde van zusters die bereid zijn hun schaarse tijd af te staan, ontstaat er een wonderbare tijdvermenigvuldiging. Waar halen ze die liefde vandaan? Van de wonderbare broodvermenigvuldiging hier! Want dat is eigenlijk evenzeer een wonderbare Jezusvermenigvuldiging. God betekent iets voor de zwakken, Hij maakt hun zwakheid goed met zijn sterkte.
Er moeten dus drie dingen gebeuren wil die kracht van het evangelie vaardig worden over onze wereld. Dat is tegelijk een bekering: 1. Je zwakheid zien, niet verdringen of compenseren; 2. je zwakheid aanvaarden, het innerlijk goed vinden dat je zwak bent, er 'ja' op zeggen; 3. in het vertrouwen dat God je zwakheid ziet, kent en respecteert, dat Hij Zich buigt over de zwakken en hun zwakheid goedmaakt met zijn kracht. Geen zelfverlossing, maar God toelaten in je zwakte. De zwakken betekenen iets voor de aarde, zij zijn het zout der aarde, omdat God hun zwakheid goedmaakt met zijn kracht. Zo wordt de aandacht van de mensen op God gericht. De mensen gaan zich afvragen waar die zwakke mensen de kracht vandaan halen, of waar die beproefde mensen hun blijheid vandaan halen. Jezus zegt: "zodat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is" (Mt 5,16). Dat is het goede werk van Jezus: Jezus trekt de aandacht op Zichzelf en geleidt die naar de Vader, zozeer, dat als je Jezus ziet, je de Vader ziet. Dan mogen wij zijn als Mozes die standvastig bleef omdat hij als het ware de Onzichtbare zag: "als ziende de onzienlijke" (Heb 11,27).
Zout der aarde. Wat doet zout, wat doet een kokkin met zout? Ze maakt er de spijzen krachtig van smaak mee, de flauwe, laffe smaak gaat ervan af. Dat doet het zout met de spijzen. Zout bewaart de spijzen ook voor bederf. De aarde wordt aan bederf onderhevig, wanneer het zout van de heilige Geest er niet aan wordt toegevoegd; "Gij zijt het zout van de aarde. En van die leerlingen had Jezus eerst gezegd: Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen" (Mt 5,3). Wie zijn dus het zout van de aarde, wie bewaren de aarde voor bederf? De armen, de kleinen, zij die zich arm weten voor elkaar, voor zichzelf en voor God.
Een gevoel van armoede ontstaat vooral wanneer je je de opgave en je eigen bescheiden krachten te binnen brengt. Dat is me nogal wat: de hele aarde, heel de wereld! Wij moeten dus iets betekenen voor de aarde, voor de wereld. Dan ga je je klein voelen. Als je een reis gaat maken, wordt de wereld groot. De wereld was al groot, maar als je op reis gaat, als je wegtrekt uit je kleine huis, de kleine wereld waarin je leeft, wordt de wereld voor je bewustzijn groter. Dan merk je pas hoe groot die wereld is en wat het van je vraagt om iets voor die wereld te betekenen. Dan merk je pas hoe klein je zelf bent, hoe arm, hoe zwak. Al die mensen, al dat vreemde, waarop je helemaal geen greep hebt. Er overvalt je een gevoel van armoede.
Ook als je thuis blijft, ga je wel eens innerlijk een reis maken naar vreemde landen en vreemde volkeren, toestanden waarover je hoort in het nieuws. Dan voel je je klein worden, vooral wanneer je beseft, dat je voor die mensen een verantwoordelijkheid hebt. Hoe zou ik iets kunnen betekenen voor anderen, terwijl ik nog niet eens voor mezelf kan zorgen? Hoe doen die zwakke mensen dat eigenlijk? De zwakken hebben het wapen van de zwakken, dat is God!