Vrijdag in de tiende week
     van het even jaar
Derde vrijdag na Pinksteren
                        Hoogfeest van het heilig Hart van Jezus
                                                 (eigen lezingen)


Eerste lezing: Ezechiël 34,11-16
tweede lezing: Romeinen 5,5-11
Evangelie: Lucas 15,3-7


Inleiding    

Achter alles zit liefde! Goddelijke liefde, de liefde van een goddelijk Hart. Zo is het ook in de bewustwording van mensen. Het diepere van wat er in een mensenleven gebeurt, daalt pas langzaam, geleidelijk neer in het hart. Want in het hart moet alles verwerkt worden, daar komt alles samen. Zo is het in het hart van de mens, zo is het in het Hart van de God-mens en zo is het óók in het hart van de Kerk. Daarom ook dit laatste feest, het laatste van de reeks van liturgische feesten, het feest van het heilig Hart van Jezus, om te laten zien dat achter alles liefde zit, liefde van God. Wij kunnen dat niet zien, dat moet ons geopenbaard worden. Die liefde van God wordt geopenbaard door de Kerk. Menselijke liefde is 'ik'-liefde, eigenlijk geen echte liefde, want echte liefde is juist naar de ander toe, tot de laatste druppel bloed.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd hield Jezus de Farizeeën en schriftgeleerden deze gelijkenis voor:
“Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft
en er één van verliest,
laat hij dan niet de negenennegentig in de wildernis achter
om op zoek te gaan naar het verlorene, totdat hij het vindt?
En als hij het vindt, legt hij het vol vreugde op zijn schouders,
gaat naar huis,
roept zijn vrienden en buren bij elkaar en zegt hun:
Deelt in mijn vreugde,
want mijn schaap dat verloren was geraakt, heb ik gevonden.
Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn
over één zondaar die zich bekeert,
dan over negenennegentig rechtvaardigen
die geen bekering nodig hebben.”

Homilie      

“Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft en er een van verliest, laat hij dan niet de negenennegentig in de wildernis achter om op zoek te gaan naar het verlorene, tot hij het vindt?"
Nu, u bent geen schapenhoeders, geen herders, u kent de gewoonten niet, dus u neemt maar aan dat iedere herder die zijn vak kent, zulks zal doen. Maar ik verzeker u dat geen enkele herder zo iets zou doen: omwille van dat ene verloren schaap de negenennegentig achterlaten. Want daarmee loopt hij het risico dat hij daar in de wildernis ook die negenennegentig nog kwijt te raken. Dat doe je toch niet! Dat doen die herders ook niet. Maar Jezus wil niet zeggen hoe de gewoonte is onder de herders en daar zijn eigen herderschap aan afmeten, Hij wil iets tot uitdrukking brengen van de dwaze, helemaal niet meer rekenende liefde van God voor de arme, zondige mensen, dat Hij daarvoor iets doet wat gewoon uitzinnig is, krankzinnig.

Als wij met iemand te doen hebben, zeggen we: 'arm schaap'. Nu, zo zag Jezus zijn volk. Neerliggend "als schapen zonder herder" (Mt 9,36). Zo ziet God ons: een schaap zonder herder. Dat is echt zielig. Wanneer het schaap van de kudde is afgedwaald, dwaalt het doelloos rond. Een schaap heeft geen instinct, geen oriëntatievermogen, en omdat het aldoor blijft ronddolen, wordt het op een gegeven ogenblik zo moe dat het door de poten zakt en dan blijft liggen waar het ligt, volkomen hulpeloos. Als de herder het dan vindt, is er geen sprake van dat het op eigen kracht kan meegaan, het moet zich laten dragen. Het is, wat de Drentse herders noemen, 'steets' geworden. Het ligt op een bepaalde plaats, statie, en daar blijft het dan, 'steets' als het is. Kijk, dat zijn wij. In dit evangelie wordt ons voorgehouden dat het er zo met ons voorstaat. Niet eentje, maar allemaal. Jezus, de Opperherder stuurt zijn leerlingen dan ook uit: "Ge moet veeleer tot de verloren schapen van het huis van Israël gaan  (Mt 10,6). Schapen, verloren, verloren schapen, dat zijn we.

Hoe ziet God ons? Hoe zijn wij eraan toe? "Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder" (Mt 9,36). Ergens in het land was er een parochie waar dingen gebeurden die niet juist waren. Ik hoorde toen van een pastoor dat hij het verlangen in zich voelde opkomen: 'Wat zou ik graag voor die parochianen, voor die parochie,  herder zijn. Geen bloeiende parochie, geen rijke parochie, maar een parochie waar de schapen afgetobd neerliggen.' Dat is het Hart van Jezus. Of wij nu jong zijn of oud, sterk of zwak, geleerd of minder ontwikkeld, rijk of arm, voor God zijn we allemaal zo, voor God zijn we allemaal meelijwekkend.

"Toen Jezus aan land ging zag Hij een grote menigte. Hij gevoelde medelijden, want ze waren als schapen zonder herder (Mc 6,34). Dat zit er bij mensen die geloven diep in, heel diep. Als zij voor God komen te staan, is het eerste wat ze uitroepen: 'Kyrie eleison', 'Heer, ontferm U.' De leerlingen worden dan ook door Jezus gezonden “als schapen tussen wolven” (Mt 10,16). En sint Paulus zegt zonder meer: “We worden behandeld als slachtvee” (Rom 8,36). En toch hoeven de mensen geen medelijden met ons te hebben. God heeft medelijden met ons. “Over dit alles zegevieren wij glansrijk dank zij Hem die ons heeft lief gehad. En ik ben ervan overtuigd, zegt sint Paulus, dat dood noch leven, engelen noch heerschappijen, heden noch toekomst, geen krachten, hoogten, diepten noch enig ander schepsel bij machte is ons te scheiden van de liefde Gods die is in Christus Jezus, onze Heer" (Rom 8,37-39).

We waren verdwaald als schapen zonder herder, "maar nu, zegt sint Petrus, zijt ge bekeerd tot de herder en behoeder van uw zielen” (1 Pe 2,25). Ook als Hij ons redt, als Hij ons gered heeft, blijven we de kleine kudde. “Wees niet bevreesd, kleine kudde" (Lc 12,32). Dat is wat we ons vandaag, op het feest van het heilig Hart van Jezus, te binnen mogen brengen, dat wij de liefde van Jezus' Hart alleen maar kunnen voelen als we onze kleinheid, onze zwakheid en hulpeloosheid voelen, als wij in de diepte van ons bestaan onze miserie, onze godverlatenheid voelen, dat we God hebben losgelaten, de bron van het leven. Als we dat maar beseffen en in vertrouwen opkijken naar onze herder Jezus, dan zijn we gered, dan zijn we uit het rijk van de dood, van de haat, van de koude, kille, verstandelijke overwegingen, overgebracht naar het rijk van de Liefde. Dan is er overal warmte om ons heen. Niet de warmte van mensen, niet hun geborgenheid, maar de warmte van zijn goddelijk Hart.