Eerste lezing: 2 Korintiërs 4,7-15
Evangelie: Matteüs 5,27-32
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Gij hebt gehoord, dat er gezegd is:
Gij zult geen echtbreuk plegen.
Maar Ik zeg u:
Al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren,
heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd.
Indien uw rechteroog u aanstoot geeft,
ruk het uit en werp het van u weg;
want het is beter voor u,
dat een van uw lichaamsdelen verloren gaat
dan dat heel uw lichaam in de hel wordt geworpen.
En als uw rechterhand u aanstoot geeft,
hak ze af en werp ze van u weg,
want het is beter voor u,
dat een van uw lichaamsdelen verloren gaat
dan dat heel uw lichaam in de hel terecht komt.
Ook is er gezegd:
Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief geven.
Maar Ik zeg u:
Wie zijn vrouw verstoot, behalve in geval van ontucht,
brengt haar ertoe echtbreekster te worden;
en wie een verstoten vrouw huwt, begaat echtbreuk.
Homilie
Denkt niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen" (Mt 5,17). Wet en profeten, de hele Schrift met al haar voorschriften, geboden en verboden, Jezus zegt dat ze blijven gelden naar de geest en de oorspronkelijke bedoeling, in die zin zelfs tot die ene jota en het geringste haaltje. Deze woorden gaan onmiddellijk vooraf aan een serie uitspraken, waarin Jezus zijn eigen, nieuwe gebod haaks zet op wat tot de ouden gezegd is: "Gij hebt gehoord dat tot onze voorouders gezegd is: Gij zult niet doden ... Maar Ik zeg u: al wie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht. Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult geen echtbreuk plegen, maar Ik zeg u: al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd. En zo gaat het door: ook is er gezegd: Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief geven. Maar Ik zeg u: Wie zijn vrouw verstoot brengt haar ertoe echtbreekster te worden. En eveneens: geen valse eed zweren - helemaal niet zweren; oog om oog, tand om tand, maar Ik zeg u geen weerstand te bieden, bemin uw naaste en haat uw vijanden, maar Ik zeg u: bemint uw vijanden." Geen nieuwe interpretatie, maar een volstrekte radicalisering, tot in de wortel, tot in de kern. Het hart van waaruit het dodelijk geweld ontspringt; de complete breuk van de echtelijke band begint met de begeerte van het hart; het begin van alle vijandschap is het recht om de vijand te haten.
We kennen Jezus' houding tegenover de wet ook uit zijn handelen: wat betreft het onderhouden van de sabbat en de reinheidsvoorschriften, zijn omgang met tollenaars en zondaars, geestelijk onreinen, met vrouwen en kinderen. In heel zijn houding en prediking kennen wij Jezus als een radicale vernieuwer, die breekt met conventies en casuïstiek, die breekt met mensen die leven van wat tot de ouden gezegd is en die de wil van God hanteren als een bescherming en garantie van eigen morele en religieuze tradities.
In Hem is het volstrekt nieuwe doorgebroken. Een nieuwe leer, verkondigd met nieuw gezag. Zelf heeft Hij gezegd, dat zijn verschijning zich niet verdraagt met het oude: dat zou gelijk staan met het verstellen van een oud kleed met een lap nieuwe, ongekrompen stof, of nieuwe wijn in oude zakken.
Wie is Jezus? Radicaal vernieuwer, revolutionair profeet of behoudzuchtig behoeder van aloude tradities? Hij is voor ons zowel het een als het ander, Iemand die ons van dag tot dag vervreemdt van ons dierbaar geworden denkbeelden, die ons wegroept van wat en wie met ons leven vergroeid zijn: vader, moeder, broers, akkers, bezit, huiselijkheid en geborgenheid: ja zelfs weg van wat het meest uiteindelijke is, van wat wij hebben: gezondheid en leven, kortom, van alles wat ons is overgeleverd.
Maar ook is Hij Iemand die ons terugschenkt aan onszelf, aan degene die wij eigenlijk zijn, broeder van allen die de wil van God vervullen; geredde en teruggevonden mensen, behoud - heil, door de Heer behouden en aan ons het behoud honderdvoudig geschonken. Iedereen kan zichzelf in Hem herkennen: jong en oud, zondaar en gerechte, radicale en weifelende, Jood en heiden, progressief en conservatief.
Geen schoner getuigenis hoe Jezus de vervuller is geweest van het dierbaarste wat mensen bezaten, dan het getuigenis van het nieuwe Testament zelf, dat zozeer vervuld is van reminiscenties aan het oude Testament, aan Wet en profeten, aanschouwelijk gemaakt in de woorden van de Emmaüsgangers: "Brandde ons hart niet in ons, toen Hij ons de schriften verklaarde?" (Lc 24,32) De Schriften, dat zijn Wet en Profeten, gelden tot Jezus, traditie en verleden, overleveringen en geboden: Jezus heeft ze voor hen doorzichtig gemaakt tot hun diepste kern: als vertalingen van Gods heilige wil, de eigenlijke krachtlijnen. God blijft trouw: aan Zichzelf, aan zijn eens gegeven woord, aan zijn aloude geboden, maar ook aan ons. Als we ons door Jezus de wet laten voorschrijven, hoeven we niet bang te zijn de band te verliezen met onze oorsprong, onze tradities, onze dierbaren, maar evenmin hoeven wij te vrezen de band te verliezen, de aansluiting te missen met de nieuwe toekomst.
Hij is de alfa en omega, begin en einde, de Eerste en de Laatste.