Eerste lezing: 1 Koningen 21,17-28 [III 123];
Evangelie: Matteüs 5,43-48 [III 124]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Gij hebt gehoord dat er gezegd is:
Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten.
Maar Ik zeg u: Bemint uw vijanden
en bidt voor wie u vervolgen,
opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel,
die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden
en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Want als gij bemint die u beminnen,
wat voor recht op loon hebt gij dan?
Doen de tollenaars niet hetzelfde?
En als gij alleen uw broeders groet,
wat voor buitengewoons doet gij dan?
Doen de heidenen dat ook niet?
Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.
Homilie
Bemint uw vijanden, bidt voor wie u vervolgen." Maar u hebt helemaal geen vijanden! "Bidt voor wie u vervolgen." Over wie zou dat gaan? U zit veilig achter de muren, u leeft in een welvaartsstaat. Een van de grootste geschenken van de welvaartsstaat is nu juist dat je kunt leven naar je geweten, zonder dat iemand je daarbij lastig valt, je onder druk zet of vervolgt. We leven in pais en vree met iedereen in deze omgeving.
Maar in het tweede gedeelte lezen we hoe we deze zinnen eigenlijk moeten verstaan. "Als gij bemint die u beminnen wat voor recht op loon hebt ge dan?" Het gaat dus niet over vijanden die elkaar haten, maar het gaat nu juist over mensen die elkaar beminnen. Wat de tollenaars onder elkaar doen, wat de heidenen onder elkaar doen, groeten, aardig zijn. Het gaat er nu om dat ze wat ze onder elkaar doen, niet uitsluitend voor elkaar alleen bewaren.
Iedere maatschappij is opgedeeld in groeperingen, natuurlijke groepen zoals men dat noemt, families, gezinnen, en andere groeperingen, mensen van dezelfde stand, van hetzelfde beroep, van hetzelfde ras, uit dezelfde buurt, 'ons soort mensen'. En die mensen hebben allemaal ten opzichte van elkaar een verhouding die ophoudt bij de grens van de groep. Dat noemt men dan een 'in-groep', een groep die gericht is op zichzelf, op eigen behoud, goede naam, graad van welstand, onderhouden van bepaalde gebruiken, bepaalde woorden, bepaalde stijl, dialect. Wat de enkeling heeft tengevolge van de zonde, dat hij wordt geleid door zelfzucht, dat hij op zichzelf is betrokken, de ander altijd bemint in functie van de zelfzucht, dat heeft ook de groep. De groep heeft ook een zelfzuchtig 'ik' of 'wij', dat zich afgrenst tegen het 'wij' van de andere groeperingen.
Nu moet u zich voorstellen dat vertegenwoordigers van die verschillende wij-groepen bij elkaar komen in een nieuwe groep. Die groep wordt gemaakt omdat ze van dat wij-beginsel, van het ikzuchtige, zelfzuchtige wij-beginsel, willen afstappen en elkaar willen beminnen over de grens van het eigen ik en over de grens van het eigen wij. Dat is een klooster, een kloostergemeenschap. Iedere kloosterling komt uit een eigen natuurlijke groep. Het zou dus eigenlijk voortdurend oorlog moeten zijn, haat en nijd, concurrentie, elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Sint Jan Berchmans noemde zo'n leven in gemeenschap, met zoveel verschillende mensen met wie hij niets anders gemeenschappelijk had dan het christen zijn en de navolging van Jezus, zijn grootste penitentie. 'Mea maxima poenitentia vita communis est.' Mijn grootste penitentie, mijn grootste boete, veel erger dan geseling en boetekleden, vasten, nachtwaken, veel grotere boete is het als broeders en zusters in een gemeenschap samen te leven. Dat is een gevleugeld woord geworden, andere heiligen hebben dat ook tot het hunne gemaakt, dat wil dus zeggen dat het een ervaring verwoordt die alle christenen kunnen herkennen, allen die leven in een gemeenschap, ook allen die leven, proberen te leven, als christenen binnen een natuurlijke groep, als gezin, in een parochie, of wat dan ook.
Het leven in een gemeenschap, het leven tussen mensen, is een leven omringd door vijanden. Niet dat ze bepaalde vijandelijke gevoelens hebben ten opzichte van elkaar, maar mensen doen elkaar pijn, kwetsen elkaar. Dat gebeurt zonder dat de ander er iets van merkt, of zonder dat die ander dat bewust wil, erop uit is.
En nu zegt onze Heer: "Bemint uw vijanden." Probeer die mensen die u tegemoet treden met hun eigenheden, die u pijn doen, die u gewoonlijk ontmoet vanuit uw eigen gevoelens, irritaties: 'houd ie nu nooit op; komt er nooit eens een einde aan; ziet ie dat dan niet', nu eens te beminnen met een hogere liefde. Niet met je eigen liefde, maar met de liefde waarmee de hemelse Vader ook jou bemint, die van zijn kant "de zon laat opgaan over slechten en goeden. En het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen."
Nu zult u misschien denken dat dat gemakkelijk is. 'Als ik God was zou het me helemaal geen moeite kosten om de zon te laten opgaan, dat doet de natuur.' Maar God is in het natuurgebeuren niet alleen met zijn scheppingsmacht maar ook met zijn goddelijke liefde aanwezig is. Want als het regent, laat Hij het regenen met goedheid, met liefde voor goeden en slechten. Dat komt er dan nog eens bij, dat is een gunst, een goddelijk geschenk. Hij laat de zon, dat natuurlichaam, met de koesterende stralen van zijn goddelijke liefde schijnen; dat staat niet buiten Hem, Hij trekt het hele natuurgebeuren als het ware door de heilige Geest in Zichzelf naar binnen. Zo kun je in alles de goddelijke liefde beschouwen en die overal in zien.
Als je daarmee begint, is het nog maar een klein stapje om te zien hoe zijn liefde ook schijnt over je naasten, over de mensen die je liggen, die je sympathiek zijn, én over de mensen die je niet liggen. Al die verschillen, al die onderscheiden die er zijn, worden opgenomen in de welwillende, alles overschrijdende en alles omvattende goedheid van Gods Vaderhart.