Donderdag in de elfde week
     van het even jaar
                                Heilige Romualdus, abt


Eerste lezing: Sirach 48,1-14 [III 127];
Evangelie: Matteüs 6,7-15 [III 128]


Inleiding    

'Met volharding Gods Aanschijn zoeken', dat is de opdracht van de christen. Zo ook van Romualdus, de abt die wij vandaag herdenken. Romualdus voelde zich tot het kluizenaarsleven geroepen; hij trok jarenlang door allerlei streken op zoek naar eenzame plekken waar hij kleine kloosters bouwde. Hoe kun je nu kluizenaar zijn en heilig worden, want voor heilig worden zijn toch beproevingen nodig? 'Neem de beproevingen weg en niemand wordt heilig', zegt de woestijnvader. Hoe kunnen er beproevingen zijn, als er geen medemensen in de buurt zijn, want beproevingen komen doorgaans van medemensen? Het is niet zo dat die medemensen nu zo slecht zijn, maar in het samenspel, in het samenleven, doen zich wrijvingen voor tussen de karakters, tussen mensen met ieders eigen wijze van zich opstellen in het leven. Dát dulden, daarin groeit het geduld en in dat geduld groeit de heiligheid. 'Met volharding Gods Aanschijn zoeken.'
In het kluizenaarsleven echter is er nog een Ander in het 'spel' en dat is God zelf. Het is God zelf die als de moeilijkste levenspartner te beschouwen is. Hóe Hij kan zijn, weten mensen die in het alleen-leven niet zichzelf zoeken, maar inderdaad 'met volharding zíjn Aanschijn zoeken.' En dat is nu precies wat wij in de omgang met elkaar ook steeds moeten doen: 'met volharding zijn Aanschijn zoeken', zodat wij in de beproevingen ons geduld niet verliezen en groeien in heiligheid.  

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Als gij bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden,
zoals de heidenen,
want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden
verhoring zullen vinden.
Volgt hun voorbeeld dus niet na,
want voordat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt.
Gij moet daarom zo bidden:
Onze Vader die in de hemel zijt,
uw Naam worde geheiligd; uw Rijk kome,
uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren.
En leid ons niet in bekoring, maar behoed ons voor het kwaad.
Want als gij aan de mensen hun fouten vergeeft,
zal uw hemelse Vader ook u vergeven;
maar als gij niet vergeeft aan de mensen,
zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven.”

Homilie  

“Als gij bidt, gebruikt dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden."
Elia riep de Baälpriesters toe: "Roept toch wat harder; hij is immers een god? Hij is zeker in gedachten verzonken of heeft zich afgezonderd of is op reis; misschien slaapt hij wel en moet hij gewekt worden."  “Toen riepen ze nog harder en kerfden zich naar hun gewoonte met zwaarden en speren, tot het bloed langs hun lijf droop. Het middaguur verstreek, maar zij gingen er als razenden mee door tot de tijd van het avondoffer; maar er klonk geen geluid en er kwam geen antwoord; zij vonden geen gehoor."

Elia bad: "Geef antwoord, Heer, geef antwoord, opdat dit volk erkent dat gij, Heer, de ware God zijt, en keer zo hun hart weer tot U. Toen sloeg het vuur van de Heer neer, verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en het stof; het likte zelfs het water in de geul op” (1 Kon 18). De heidense godsdienst is vol van schokkend ritueel. De christelijke godsdienst kan veel ingehoudener zijn, omdat God veel meer doet: “Volgt hun voorbeeld dus niet na, want voordat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt" (Mt 6,8).

Dat doenerige van de heiden bij hun eredienst dringt ook door in hun gewone leven. Wat doen de heidenen in het gewone leven? Zich zorgen maken over de vraag: "Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of wat zullen wij aantrekken? Want dat alles jagen de heidenen na. Uw hemelse Vader weet wel dat gij al deze dingen nodig hebt (Mt 6,31-32). Wat doen de heidenen in de omgang: “Als gij alleen uw broeders groet, wat voor buitengewoons doet gij dan? Doen de heidenen dat ook niet?" (Mt 6,47)

Onze godsdienstige vieringen zijn veelal stil, want zij zijn een dienst aan een roerige God: God is in de stille bries, niet in het vuur, de aardbeving, de bliksem. Hij is er voor "de stillen in den lande” (Ps 35,20). “Wees stil voor de Heer” (Ps 37,7). “Bij God alleen verstilt mij ziel, van Hem blijf ik het wachten (Ps 62,6). “In stille berusting ligt uw redding, in rustig vertrouwen uw kracht (Jes 30,15). “Neen, bedaren liet ik, verstillen mijn ziel, als een kind bij zijn moeder geborgen; als dat kind, zo voel ik mijn ziel. Dat Israël wachte de Heer, van thans tot in eeuwigheid" (Ps 131,2-3).

Jezus deed het minste: "Hij schold niet terug en dreigde niet, maar liet het over aan Hem die rechtvaardig oordeelt" (1 Pe 2,23). Bij de dienst aan zo'n God hoort ook dat men geen 'toestand' maakt over aangedaan onrecht, dat men liever vergeeft. Ook dat is een vorm van stil zijn: 'Laat maar zitten.'