Heilige Aloysius Gonzaga, kloosterling
Eerste lezing: 2 Kronieken 24,17-25 [III 131]
Evangelie: Matteüs 6,24-34 [III 132]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Niemand kan twee heren dienen,
hij zal de een haten en de ander liefhebben,
ofwel de een aanhangen en de ander verachten.
Gij kunt niet God dienen én de mammon.
Daarom zeg Ik u:
Weest niet bezorgd voor uw leven,
wat ge zult eten of wat ge zult drinken,
en ook niet voor uw lichaam, wat ge zult aantrekken.
Is het leven niet méér dan het voedsel
en het lichaam niet méér dan de kleding?
Let eens op de vogels in de lucht:
ze zaaien niet en maaien niet
en verzamelen niet in schuren,
maar uw hemelse Vader voedt ze.
Zijt gij dan niet veel méér dan zij?
Trouwens, wie van u is in staat
met al zijn tobben aan zijn levensweg één el toe te voegen?
En wat maakt gij u zorgen over kleding?
Kijkt naar de leliën in veld: hoe ze groeien.
Ze arbeiden noch spinnen.
Toch zeg Ik u:
Zelfs Salomo in al zijn pracht was niet gekleed als een van hen.
Als God nu het veldgewas dat er vandaag nog staat
en morgen in de oven wordt geworpen, zó kleedt,
hoeveel te meer dan u, kleingelovigen?
Maakt u dus geen zorgen over de vraag:
wat zullen wij eten of wat zullen wij drinken,
of wat zullen wij aantrekken!
Want dat alles jagen de heidenen na.
Uw hemelse Vader weet wel dat gij al deze dingen nodig hebt.
Maar zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid:
dan zal dat alles u erbij gegeven worden.
Maakt u dus niet bezorgd voor de dag van morgen,
want de dag van morgen zorgt voor zichzelf.
Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed.
Homilie
God geeft ons alles, als wij eerst de gerechtigheid zoeken en zijn Koninkrijk: God dienen en niet de mammon (Mt 6,24). Dien je God, dan zal God jou dienen en bedienen; dien je de mammon, dan gaat het evangelie voor jou niet op. Het evangelie neemt je zorgen niet weg, integendeel: je moet juist voor de gerechtigheid zorgen; het evangelie neemt de zorgelijkheid weg. 'Maar ik heb helemaal geen zorgen: niet voor mijn leven, eten en drinken, niet voor mijn kleren.' Dan kun je een stap verder gaan op de weg van de heilige onbezorgdheid. Wees onbezorgd voor de Kerk, en wees onbezorgd over wat de mensen over jou zeggen. Dit laatste is al moeilijk als het over je rapportcijfers gaat, hoeveel te meer als anderen erover oordelen of je het goed doet of niet, of je gewijd mag worden of niet, of je aan het pastorale jaar mag meedoen of niet, of ze je van het seminarie wegsturen of niet, of ze je voor de geloften aannemen of niet. Paulus zegt: "Mij is echter niets gelegen aan uw oordeel of dat van enige menselijke instantie ... De Heer is het die over mij oordeelt (1 Kor 4,3.4). Het belangrijkste waarover je je zorgen zou kunnen maken, ken je niet eens; hoe zou je je dan zorgen maken over het minder belangrijke dat je wel kent: Ik oordeel niet eens over mijzelf. Want al ben ik mij van niets bewust, daarom ga ik nog niet vrijuit (1 Kor 4,3-4). In de eerste lezing brengt de tweede Jesaja de zorg van het volk van God in ballingschap onder woorden maar ook Gods antwoord: Sion zei: Jahweh heeft mij verlaten, de Heer heeft mij vergeten. Zal een vrouw haar zuigeling vergeten, een liefhebbende moeder het kind van haar schoot? En zelfs als die het zouden vergeten, Ik vergeet u nooit!" (Jes 49,14-15)
Je mag best voor de Kerk zorgen, voor de wereldkerk in het klein, de Kerk van uw gezin, maar niet met een ongeordende bezorgdheid over de toestand van de Kerk, niet zo voor je eigen bisdom, je eigen orde, je eigen congregatie, je eigen priesterschap, je eigen partij, je eigen kinderen, niet zo voor je eigen parochie zorg hebben, dat je de gerechtigheid uit het oog verliest, en vooral Gods koninkrijk: dat God Koning is en royaal zal zorgen, dat is 'koninklijk'. Dit past bijzonder op de zondagen in een heilig jaar, als er vanouds niet wordt gewerkt, niet werd gezaaid: "Zes jaar kunt ge uw akkers inzaaien, zes jaar kunt ge uw wijngaarden snoeien en de oogst binnenhalen, maar in het zevende jaar zal het grote sabbat zijn voor heel het land. Dan moogt gij uw akker niet inzaaien, uw wijngaard niet snoeien, de nagroei van het vorige gewas niet oogsten en de druiven van uw ongesnoeide wijngaard niet plukken. Het land zal een heel jaar sabbat houden. Wat het land tijdens de sabbat uit zichzelf voortbrengt, zal voldoende zijn om uw slaaf en slavin, de dagloners en de buitenlanders die bij u wonen, te voeden. Ook uw vee en de andere dieren in uw land zullen daarvan kunnen eten ... Het land zal rijke vrucht opbrengen, zodat gij volop te eten hebt; ongestoord zult gij er wonen ... En denkt ge soms: Wat moeten wij in het zevende jaar eten, als we niet zaaien en geen oogst binnenhalen, wees er dan van verzekerd, dat Ik u in het zesde jaar zo zal zegenen, dat de oogst voor drie jaar genoeg zal zijn" (Lev 25,3-7.19.20-21). Sabbat en jubeljaar zijn tijden van godsvertrouwen, van het bewustzijn dat onze gerechtvaardigde zorgen gedragen worden door Gods koninklijke zorg.