Vrijdag in de elfde week
   van het even jaar
Eerste lezing: 2 Koningen 11,1-4.9-18.20  
Evangelie: Matteüs 6,19-23


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Verzamelt u geen schatten op aarde,
waar ze door mot en worm vergaan
en waar dieven inbreken om te stelen;
maar verzamelt u schatten in de hemel,
waar ze niet door worm vergaan
en waar dieven niet inbreken om te stelen.
Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
De lamp van het lichaam is het oog.
Wanneer dus uw oog helder is,
zal heel uw lichaam verlicht zijn.
Is echter uw oog slecht,
dan is uw lichaam duister:
Indien dus zelfs uw innerlijk licht duister is,
hoe erg zal dan de duisternis zijn!”

Homilie      

Aan het evangelie raak je nooit gewend - het komt altijd met oplossingen uit een heel onverwachte hoek. En het is ook niet zo dat, als je het eenmaal gehoord hebt, je het dan voor de toekomst wel zou weten. Je moet er steeds opnieuw weer inkomen, het je steeds weer opnieuw eigen maken en in iedere nieuwe situatie van je leven inpassen.

Een schat in de hemel - als alternatief, dat de voorkeur verdient boven schatten verzamelen voor zichzelf op aarde. Rijk zijn bij God, een schat in de hemel, wat doe je daar nu mee? Motten en wormen kunnen er niet bij, en voor dieven is een schat op zo'n verheven plaats wel veilig - maar wat heb je aan zo'n veiligheid als je er ook zelf niet bij kunt? Het heeft iets van je rijk voelen met het geld van je rijke buurman of met het goud in de kelders van de Nederlandse Bank! Het lijkt zoiets als een enorme som geld bij je hebben, maar in de verkeerde valuta, niet inwisselbaar: je bent er in een ander land een rijkaard mee, maar in het land waar je woont, kun je er niets mee. Want zo is het toch: hemel en aarde - twee werelden met ieder hun eigen valuta.

Inderdaad twee werelden, met eigen valuta, met elk een eigen waardenstelsel. Wie zich thuis voelen in de hemel, van wie het "vaderland in de hemel is” (Fil 3,20), voelen zich op aarde als “bijwoners en vreemdelingen”, zoals Petrus het in zijn eerste brief aan de christenen schrijft (1 Pe 2,11); - de “medeburgers en huisgenoten van God" (Ef 2,18-19), wier leven met Christus verborgen is in God, moeten hun verblijf op aarde beschouwen als een verblijf in den vreemde (1 Pe 1,11). Toch lijken die twee werelden iets met elkaar te maken te hebben, ze sluiten elkaar uit, want wie de rijkdommen van de hemel geschonken krijgt, schijnt zich met de aardse schatten onbehaaglijk te gaan voelen: Zacheüs begint maar meteen de helft van zijn bezit weg te geven als de rijkdom, die in Christus is”, het “heil” dat hem ten deel is gevallen: “Heden is dit huis heil ten deel gevallen” (Lc 19,9). En dan diegene die op een gegeven dag “het Rijk der hemelen" ontdekt als een schat verborgen in een akker. Die rijkdom vervult hem zozeer, dat hij vol blijdschap heengaat en alles te gelde ging maken wat hij bezat (vgl. Mt 13,44).

Ook Paulus ondervond de devaluerende werking van de hemelse schatten: "Maar al die voordelen, heb ik afgeschreven om Christus' wil, sterker nog, ik beschouw alles als verlies, want mijn Heer Christus Jezus kennen gaat alles te boven. Om Christus houd ik alles zelfs voor vuilnis, als het erom gaat Hem te winnen, en één te zijn met Hem” (Fil 3,7-9). En niet alleen voor zichzelf schijnt er zo'n omkering van alle waarden te hebben plaatsgevonden, hij kreeg het gedaan ook anderen te laten delen in die onaardse rijkdom: “Men beschouwt ons als bedelaars, toch maken wij velen rijk; als paupers, en de wereld is van ons ...!" (2 Kor 6,10). Armoedzaaier Paulus is een rijkmaker.

Misschien iets om aan te denken als we iets aan aardse rijkdom moeten inleveren, maar ook en vooral als we gevoelige verliezen lijden op het terrein van onze geestelijke rijkdom, als we moeten merken dat we toch minder in tel zijn, of als we voelen dat in de ogen der mensen het christen zijn een dubieuze zaak aan het worden is: een zaak voor vrouwen en kinderen. Of als je moet merken dat anderen toch minder om je geven. Als je ergens op waardevermindering stuit, kun je dat compenseren of verdringen, maar je kunt van je zwakheid ook een kracht maken en, gewaarschuwd door de vergankelijkheid en het voorlopig karakter van je aardse schatten, op zoek gaan naar de schatten die niet verslijten, naar de onuitputtelijke schat in de hemel, waar geen dief bij komt en geen mot hem bederft (Lc 12,33). We hoeven ook niet bang te zijn dat we daarbij enig risico lopen: we zijn voor duur geld gekocht. Er is voor ons een hoge losprijs neergeteld: het duurste, het dierbaarste wat de Vader maar te geven had: zijn eniggeboren Zoon. "Om uwentwil is Hij arm geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij rijk zoudt worden door zijn armoede" (2 Kor 8,9).

Ook Jezus heeft een schat ontdekt: de wil van zijn Vader om ons allen te redden. Die rijkdom vervulde Hem zo helemaal, dat Hij vol blijdschap is heengegaan en alles opgaf wat Hij bezat: zijn gelijkheid met God, zijn goddelijke majesteit, Hij heeft er Zich niet aan willen vast klampen, "maar Hij heeft Zichzelf ontledigd door het bestaan van een dienstknecht op Zich te nemen en aan de mensen gelijk te worden" (Fil 2,6-8).

Dat is het wat wij hier vieren: 'dit is mijn Lichaam; dit is de schat van mijn leven voor u.' Van die binnengoddelijke ruilhandel, die binnengoddelijke economie, waarvan wijzelf de inzet vormen, vieren wij hier de gedachtenis: wij zelf zijn de schat die Jezus Zich heeft willen verwerven ten koste van alles, ten koste van zijn leven, opdat ook wij voor anderen zo zouden zijn. Opdat wij onze rijkdom in de steek zouden laten zodat de rijkdom van anderen zich kan ontplooien, ons bezit inkrimpen om anderen de gelegenheid te geven hun rijkdom op het spoor te komen. Opdat wij ons zouden ontdoen van aardse schatten als een heenwijzing naar wat ons eigenlijk ter harte gaat, dat we ons erover verheugen door God gevonden te zijn en opdat ook anderen die rijkdom op prijs zouden mogen stellen. Niet omdat aardse rijkdom iets verkeerds zou zijn - juist omdat het iets goeds is, kan het opgeven ervan de verwijzende kracht hebben naar een hogere rijkdom, opdat ook voor ons moge gelden wat Lucas schreef over de alleroudste gemeente: "rijke genade rustte op hen allen en er was geen enkele noodlijdende onder hen" (Hand 4,33-34).