Eerste lezing: 2 Korintiërs 8,1-9
Evangelie: Matteüs 5,43-48
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Gij hebt gehoord dat er gezegd is:
Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten.
Maar Ik zeg u: Bemint uw vijanden
en bidt voor wie u vervolgen,
opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel,
die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden
en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Want als gij bemint die u beminnen,
wat voor recht op loon hebt gij dan?
Doen de tollenaars niet hetzelfde?
En als gij alleen uw broeders groet,
wat voor buitengewoons doet gij dan?
Doen de heidenen dat ook niet?
Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.
Homilie
Bemint uw vijanden. Maar we hebben toch helemaal geen vijanden? Bid voor wie u vervolgen." Vervolgers, mensen die achtervolgen, kennen we alleen uit de boeken, van de T.V. en de film. We zitten veilig achter muren en we leven allemaal in een welvaartstaat. Een van de grootste geschenken van zo'n democratische welvaartstaat is nu juist dat je kunt leven naar je geweten, zonder dat je daarbij lastig gevallen wordt door anderen, dat je onder druk gezet wordt, of vervolgd wordt. We leven in 'pais en vree' met iedereen.
Maar in het tweede gedeelte van de lezing lezen we hoe wij deze zinnen eigenlijk moeten verstaan. "Als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt ge dan?" Het gaat niet over vijanden die elkaar haten, maar het gaat nu juist over mensen die het goed met elkaar kunnen vinden, die elkaar beminnen. Wat de tollenaars doen onder elkaar, wat de heidenen doen onder elkaar: groeten, aardig zijn, lief zijn. Het gaat erom dat zij die dat doen, dat alleen voor elkaar doen. Maar u zult zeggen: we zítten toch onder elkaar. We zijn toch met zusters, met gelijkgezinden, met gelijkgelovigen; dat is heel wat anders dan in de maatschappij. De maatschappij is opgedeeld in groeperingen, natuurlijke groepen, zoals men dat noemt: familie, gezin, allerlei andere groeperingen: clubs, bijeenkomende mensen met een bepaald doel, mensen van dezelfde stand, van hetzelfde beroep, van hetzelfde ras, van dezelfde cultuur, met hetzelfde doel voor ogen. Die mensen hebben ten opzichte van elkaar allemaal een verhouding die ze niet hebben tegenover mensen buiten die groep. Zo krijgen die groepen gemakkelijk iets van een 'in-groep', een groep die gericht is op zichzelf, op behoud van eigen naam en van welstand, van etiketten, van bepaalde gebruiken, een bepaalde taal (jargon), bepaalde levensstijl, een bepaald dialect soms. Wat de enkeling heeft ten opzichte van zichzelf: eigenliefde, zelfzucht, dat heeft de groep die een 'in-groep' wordt ook ten aanzien van de groep: op zichzelf betrokken, eigenliefde. Zo'n groep zet zich af tegen andere groepen. En dat kan wel zó sterk worden, zoals dat onder bepaalde vertegenwoordigers van een godsdienst tot een haat wordt, tot een heilige oorlog.
Hoe is dat nu in een klooster, of in een gemeenschap van gelovigen? Daar komen vertegenwoordigers van die verschillende 'in-groepen' of 'wij-groepen' bij elkaar en vormen dan samen een nieuwe groep, en die groep wordt gemaakt omdat ze daar vanaf willen en elkaar willen beminnen over de grens van het eigen 'ik' heen, over de grens van het eigen 'wij' heen van de familie, van het ras, van die groep waar ze vandaan komen. Dát is een geloofsgemeenschap. Ieder lid van zo'n gemeenschap, van zo'n geloofsgemeenschap, komt dus uit zo'n natuurlijke groep. Als je die mensen van die verschillende groepen bij elkaar zet, dan zou je eigenlijk voortdurend oorlog moeten hebben, haat, nijd, concurrentie, elkaar het licht niet in de ogen gunnen. Dan krijg je, wil je dat leven goed leven, wat Johannes Berchmans - een jonge heilige die het al heel ver in wijsheid geschopt heeft in zijn jonge jaren - mijn 'mea maxima paenitentia' noemde, mijn 'grootste penitentie/boete'. Zo'n leven in een gemeenschap met zoveel verschillende mensen, met wie hij totaal niets anders gemeenschappelijk had dan christen zijn in navolging van Jezus. Als boetedoening geselde hij zichzelf, droeg boetehemden, hield nachtwaken, maar een veel grotere boete vond hij het om als broeders en zusters in één gemeenschap samen te leven.
Dat is een gevleugeld woord geworden; andere heiligen hebben zich dat tot doel gemaakt. Dat wil zeggen: het verwoordt een ervaring die alle christenen kunnen herkennen, allen die leven in een gemeenschap, in een geloofsgemeenschap. Het leven in een gemeenschap, het leven tussen mensen is een leven omringd door vijanden. Niet dat ze bepaalde vijandelijke gevoelens hebben ten opzichte van elkaar, dat mensen bewust elkaar pijn doen, hen kwetsen, nee, dat gebeurt zonder dat je er iets van merkt, zonder dat iemand dat wil, zonder dat iemand daar op uit is; het gebeurt vanzelf.
Nu zegt onze Heer, en Hij zegt het tot zijn leerlingen, Hij zegt het tot christenen die leven in een geloofsgemeenschap en dus niet met vijanden leven: "Bemint uw vijanden." Probeer die mensen, die u pijn doen en die u gewoonlijk vanzelf ontmoet vanuit uw natuurlijke, spontane gevoelens en irritatie, nu eens te beminnen met een andere liefde, niet met de liefdesgevoelens van uw eigen hart, die zijn er soms helemaal niet, maar met de liefdesgevoelens van uw nieuwe hart; niet met je eigen liefde, maar met de liefde van uw hemelse Vader, die toch door de heilige Geest in uw hart is uitgestort, die van zijn kant een voorbeeld geeft en "de zon laat opgaan over slechten, die op de eerste plaats, en over goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen." Probeer die nu eens te beminnen met het volmaakte Hart van God.
U denkt misschien: dat is gemakkelijk voor God. Als ík God was, zou het mij helemaal geen moeite kosten om de zon te laten opgaan over slechten en goeden. Dat doet de natuur. Maar dan zie je meteen hoe je dat natuurgebeuren moet verstaan. Niet alleen maar iets van Gods scheppingsmacht, maar dat zijn goddelijke liefde daar persoonlijk in aanwezig is. Dat is nu net de 'Gloria Dei', de 'heerlijkheid van God': zijn liefde van de heilige Geest over de schepping.
Zo mag je in de natuur zien, hoe heel de natuur wordt beschenen door Gods kracht en door zijn liefde. In het kleinste bloempje, de hoogste boom, het kleinste heuveltje en de hoogste berg kun je zien - en soms ook ervaren - hoe goed God is in zijn schepping. De goedheid van God in zijn macht. Als je daarmee begint, dan kun je de volgende stap zetten om te zien hoe zijn liefde schijnt over je naasten, over de mensen die jou het naaste zijn, over mensen die je niet liggen, die je sympathiek vindt en die je niet sympathiek vindt. Daardoor worden de persoonlijke spontane gevoelens als het ware gerelativeerd, in relatie gezet, betrekkelijk gemaakt, in betrekking gezet tot Hem die zijn liefdeszon laat schijnen ook over mij met al mijn slecht en goed en over die ander met al zijn goed en slecht. Dat geeft een heilige afstand ten aanzien van de ander en een heilige afstand ten aanzien van je eigen gevoelens, om daar voor in de plaats heilige gevoelens van respect, eerbied, hoogachting en liefde te laten komen.
Zo begrijpt u wat we hier in de liturgie altijd voorgeleefd krijgen. Er is toch een zekere distantie, een heilige distantie, een cultuurdistantie ten aanzien van je eigen gevoelens, maar ook ten aanzien van je medemensen, van je naasten, opdat de heilige liefde van God des te meer ruimte kan krijgen en onze betrekkingen, onze gevoelsuitingen kan bepalen en karakteriseren.