Eerste lezing: 2 Korintiërs 11,1-11
Evangelie: Matteüs 6,7-15
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Als gij bidt, gebruikt dan geen omhaal van woorden,
zoals de heidenen;
want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden
verhoring zullen vinden.
Volgt hun voorbeeld dus niet na,
want vóórdat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt.
Gij moet daarom zo bidden:
Onze Vader die in de hemel zijt,
uw Naam worde geheiligd; uw Rijk kome,
uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren.
En leid ons niet in bekoring, maar behoed ons voor het kwaad.
Want als gij aan de mensen hun fouten vergeeft,
zal uw hemelse Vader ook u vergeven;
maar als gij niet vergeeft aan de mensen,
zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven.
Homilie
Wat maakt Paulus er een punt van dat hij de christenen van Korinte niet tot last is geweest. "Toen ik bij u was en gebrek kreeg, heb ik niemand lastig gevallen." Hij heeft ánderen lastig gevallen: de broeders in Macedonië, om die Korintiërs niet lastig te vallen. Dat is zijn grote roem en die zal hij zich niet laten ontnemen, in heel het land van Achaïa, in heel Griekenland. Waarom? Omdat ik u niet liefheb? God weet wel beter. Omdat de prediker van het Woord van God moet doen wat de God die hij preekt, doet: geven in plaats van ontvangen. Hij moet niet afhankelijk zijn van het geven van degenen aan wie hij dat Woord van God predikt. God geeft en wij ontvangen. In het doen en laten: God zorgt. Wij moeten niet zorgen als de heidenen, die jagen na. Dat geldt ook voor onze omgang met God in het gebed: "als gij bidt gebruik dan geen omhaal van woorden zoals de heidenen, want deze menen dat ze door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden."
De heidense goden zijn goden waar niet zoveel van uitgaat, die niet zoveel doen. Die goden moeten eerst wakker geschud worden, en als ze dan wakker zijn, moeten ze met veel omhaal van woorden als het ware gemanipuleerd worden om iets te doen. Zoals Elia de Baälpriesters toeroept: "Roept toch wat harder. Hij is immers een god - een heidense God betekent dat - hij is zeker in gedachten verzonken, of hij heeft zich afgezonderd, of is op reis; of misschien slaapt hij wel en moet hij gewekt worden (1 Kon 18,27). Maar Zie, niet sluimert, niet slaapt de behoeder van Israël", zingt u in de psalmen (121), want Hij is een Herder die waakt, die waakt over Israël. Toen riepen die Baälpriesters nog harder en kerfden zich naar gewoonte met zwaarden en speren tot het bloed van hun lijven droop. Ze gingen maar door. Het middaguur verstreek, het werd gloeiend heet. Ze gingen er als razenden mee door tot de tijd van het avondoffer. Maar er kwam geen geluid en er kwam geen antwoord, ze kregen geen gehoor. Kijk, dat is nu de heidense godsdienst. Van hun goden gaat niets uit. Ze doen niets, ze zijn zoals hun beelden: ze hebben oren maar horen niets, ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken (vgl. Ps 135).
Maar de God van Israël is een roerige God, een God wiens naam is: Ik-ben-er-voor-u. Iemand heeft die naam eens menen te moeten vertalen door: 'Ik kom er al aan.' Zoals wanneer een kind zijn moeder roept, en moeder roept terug: 'Ik kom er al aan. Ik ben er al.' Zo mogen wij dus ook bidden. Je zou zeggen dat wij in onze tijd niet zo geneigd zijn in ons gebed veel woorden te gebruiken, maar wel veel technieken en methoden die uit het Oosten zijn komen overwaaien, waarbij mensen in een moeilijke houding moeten zitten, de ademhaling in een bepaald ritme moeten brengen om het lichaam te ontspannen, concentratietechnieken, mantra's moeten opzeggen, je gedachten loslaten enz. enz. En dat dan heel lang volhouden. Wat een gedoe! Maar dat is niet het christelijke gebed. Het christelijke gebed heeft iets van een samenspraak tussen een kind en zijn vader. Stel je voor dat een kind met zijn vader in gesprek, zich eerst in allerlei bochten moet wringen. Het doet gewoon, normaal. Zeg maar wat je op je hart hebt. Trouwens, Hij weet wel wat je op je hart hebt. "Voor u vraagt, weet uw Vader al wat ge nodig hebt" (Mt 6,8). Het christelijke gebed is een gebed dat uitgaat van geloof. Geloof in de liefde, in het liefdesinitiatief van God. Voordat het woord over je lippen is, nodigt je Vader je uit. Het gaat van Hem uit. Hij begint en Hij houdt het gesprek gaande. Hij breekt het ijs, Hij komt over de brug. Hij geeft. Je hoeft alleen maar te ontvangen. De methode, de techniek, bestaat er eigenlijk in dat je alle methoden en technieken aflegt om een houding van vertrouwen in je te kweken, een houding van geloof. Dan hoef je niets te doen, je hoeft alleen maar te ontvangen. Je moet zelfs alle gedoe afleggen.
Wij hebben een stille godsdienst, want het is een dienst, een godsdienst, een dienst aan een God die zelf doet, een roerige God. Hij was niet in het vuur toen Hij aan Elia verscheen daar boven op de berg. Hij was niet in de aardbeving, Hij was niet in de bliksem, niet in de storm, maar in het suizen van een zachte bries (vgl. 1 Kon 19,12). Hij is er voor "de stillen in den lande", zoals psalm 35 zegt. En wij worden gemaand om stil te zijn voor de Heer. Zoals iemand aanwezig is binnen het aandachtsveld van een geliefde. Heel stil. Hij doet niets. Woorden zijn dikwijls een schuilmiddel, een afweermiddel tegen de aanwezigheid van de ander. Stilte is de grote openbaring. "Bij God alleen verstilt mijn ziel" (Ps 62,2). Ik kan alleen maar stil worden door de stille aanwezigheid van mijn God. "Van Hem blijf ik het wachten (Ps 62,6). In stille berusting ligt uw redding, in rustig vertrouwen uw kracht. Neen, bedaren liet ik, verstillen mijn ziel, als een kind bij zijn moeder geborgen. Als dat kind zo voel ik mijn ziel. Dat Israël wachte de Heer, van thans tot in eeuwigheid" (Ps 131,2-3).
Jezus had die geloofshouding volmaakt. Er werd van Hem verwacht dat Hij Zich zou roeren, dat Hij Zich zou verdedigen, terugslaan, zou veroveren, dat Hij de koning zou zijn. Toen Hij dat niet deed, hebben ze zich aan Hem geërgerd. 'Allen zult u zich aan Mij ergeren, aanstoot aan Mij nemen' (vgl. Mt 26,31), zei Hij tegen zijn leerlingen, omdat Hij dat allemaal niet deed. En toen Hij werd uitgedaagd om van het kruis af te komen, Zich teweer te stellen, Zich te redden, heeft Hij dat niet gedaan, omdat daarin heel zijn wezen ligt: niet Ik, maar God, niet Ik ben de Redder, maar God redt. Dat is mijn naam 'Jeshoua', letterlijk: 'God redt'. Dat is wat Hij hier voordoet. Zoveel ruimte maken in Zichzelf, zoveel stilte, zoveel leegte, dat God de Vader, erdoor wordt aangetrokken om de redding te voltrekken, die wij zelf niet kunnen, maar ook niet hoeven te brengen.