Vrijdag in de elfde week
  van het oneven jaar
             

Eerste lezing: 2 Korintiërs 11,18.21b-30  
Evangelie: Matteüs 6,19-23  


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs


In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Verzamelt u geen schatten op aarde,
waar ze door mot en worm vergaan
en waar dieven inbreken om te stelen;
maar verzamelt u schatten in de hemel,
waar ze niet door mot of worm vergaan
en waar dieven niet inbreken om te stelen.
Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
De lamp van het lichaam is het oog.
Wanneer dus uw oog helder is,
zal heel uw lichaam verlicht zijn.
Is echter uw oog slecht,
dan is heel uw lichaam duister.
Indien dus zelfs uw innerlijk licht duister is,
hoe erg zal dan de duisternis zijn!”

Homilie  

Paulus neemt het op tegen zijn gesprekspartners. Hij doet dat door zich op hun standpunt te plaatsen: pralen en opscheppen. Dat is immers wat de Korintiërs zelf graag doen en wat zij anderen ook graag horen doen. Zo zijn ze door de valse profeten op het verkeerde been gezet om hun leven te stellen niet in het teken van geloof en genade, maar van recht en prestatie. Daarom gaat Paulus niet roemen op waar hij goed in is, maar op zijn zwakheden, om zo de bewondering gaande te maken voor God, die hem in zijn zwakheid steeds tot kracht is geweest.

Paulus somt op wat hij allemaal heeft doorgemaakt en geleden: gevangen gezeten, slagen verduurd, doodsgevaren zonder tal, vijfmaal de 'veertig-min-één', driemaal met stokken geslagen, éénmaal gestenigd, driemaal schipbreuk geleden, een heel etmaal doorgebracht in volle zee, gevaren doorstaan van rivieren, rovers, van de kant van het eigen volk, van de heidenen, van valse broeders enzovoort. Het is onwaarschijnlijk wat die man allemaal heeft doorstaan! Hij staat in dienst van Christus, en heeft als apostel de macht en de kracht van de apostel! En wat weet hij ervan te vertellen? Alleen maar miserie en zwakte. Is dat nu om te roemen?

Waarin bestaat eigenlijk de christelijke volmaaktheid? Benedictus zegt: door hoogmoed daalt de christenmonnik af, door nederigheid klimt hij omhoog. Dezelfde wijsheid klinkt ons tegemoet  uit de mond van onze jongste en kleinste kerklerares, Thérèse van Lisieux. Haar bloedeigen zuster, zuster Geneviève verzuchtte: 'Wanneer ik eraan denk, wat ik nog allemaal moet leren …!' Therèse: 'Zeg liever, wat u nog allemaal moet kwijtraken. Jezus belast Zich ermee uw ziel te vullen, in de mate dat u haar leegmaakt. Ik zie heel duidelijk in, dat u zich in de weg vergist. Op die manier zult u nooit tot het einddoel van uw reis komen. U wilt een berg beklimmen en Onze Lieve Heer wil u laten afdalen. Hij wacht op u onder in het vruchtbare dal waar u uzelf leert minachten, waar u klein leert denken over u zelf' (Raadgevingen nr. 10).

Voor de meesten van ons zijn er geen schipbreuken weggelegd, geen vervolgingen, geen stokslagen, geen woestijn, noch koude en naaktheid. Maar wie Jezus navolgt, en ervoor kiest zijn leven te stellen in het teken van het evangelie, wordt dagelijks vele malen geconfronteerd met zijn broosheid, zijn zwakheid ten dode. Hij is immers bezig met iets dat hij uit zichzelf niet kan: opnieuw geboren worden, altijd de minste willen zijn, graag misprezen worden, liever de wil van een ander dan de eigen wil, het liefst op de laatste plaats, liever arm dan rijk, altijd bereid zijn laatste rechten af staan, kortom een leven van levend sterven. Dit gaat de krachten van de mens ten enenmale te boven: "Wie kan er dan nog gered worden?" Hoe dit dan toch te bereiken? Niet door eigen krachtsinspanning, maar door zich dit steeds door God te laten geven als een genade: "Dit ligt niet in de macht der mensen, maar wel in die van God: want voor God is niets onmogelijk" (Mc 10,26-27). En God geeft veel meer kracht dan mensen met de beste wil van de wereld ooit uit zichzelf kunnen opbrengen. We zien dat bij de woestijnvaders. Thomas à Kempis verwoordt de algemeen gekoesterde gevoelens van bewondering voor hun buitengewoon verstorven leven: 'Wat een streng en verstorven leven hebben de heilige vaders in de woestijn geleid! Wat een zware en langdurige bekoringen hebben zij doorstaan! Wat een vinnige strijd hebben zij gevoerd om hun gebreken te temmen! … Wat hebben zij hun aandacht zuiver en recht op God gericht gehouden! Overdag werkten zij en 's nachts wijdden zij zich aan langdurige gebeden, terwijl zij overigens ook onder het werk nooit ophielden inwendig te bidden.' (De Navolging van Christus, Eerste boek, 18e hoofdstuk, nr. 6-27). Het is ontplooiing van kracht, maar niet van eigen menselijke kracht, maar van Gods kracht, kracht uit genade op grond van aanvaarde menselijke zwakheid.

Dat blijkt uit het antwoord op de vraag die iemand stelde: 'Wat voor zin hebben vasten en nachtwaken eigenlijk?' Abbas Mozes antwoordde: 'Vasten en nachtwaken hebben tot doel de monnik te ontmoedigen, en hem zo tot deemoed te brengen.' Langs de weg van vasten en nachtwaken, van ascetische praktijken tast de monnik de maat van zijn eigen kracht af, om langs proefondervindelijke weg tot de bevinding te komen: hier houdt mijn eigen kracht op, tot zover kan ik gaan, vanaf deze oefening kan ik niet meer. Abbas Mozes vervolgt: 'Wanneer hij deze vrucht van de deemoed voortbrengt, treft de monnik het hart van God, en komt God tussenbeide met de zelfoverwinning.' Elke ascetische oefening moet de monnik tot dit nulpunt brengen, waar hij met zijn zwakheid wordt geconfronteerd en hij zich er niet meer tegen opgewassen voelt. Dan wordt zijn hart murw, gebroken: 'cor contritum', 'het vermorzelde hart'. Al zijn menselijke volmaaktheidplannen vallen in duigen. In zo'n kleingemaakt hart, waar iemand voeling krijgt met zijn fundamentele zwakheid, kan de kracht van God het initiatief overnemen. Dan wordt ascese een wonder, een voortdurend wonder in een nederig en vermorzeld hart dat uitgeleverd is aan de eigen zwakheid en aan de almacht van God. Bij alle deugdoefening - en dat is altijd beoefening van krachtdaden, geestelijke krachtdaden - moet je zorgen, dat het daden zijn van goddelijke kracht en niet van je eigen kracht. Christelijke deugdbeoefening dient het waarmerk te dragen van de christelijke roeping, van je tweede roeping, je bekering. Dat was toch ook niet iets van jezelf, iets van: dat heb ik zelf klaargespeeld. Je moet je tot de deugd laten roepen, je ertoe laten inspireren door de zachte troost van de genade, de zachte kracht van de heilige Geest.

Daarmee vinden wij, wat het evangelie ons vandaag zegt: "schatten in de hemel", niet een aardse schat van natuurlijke flinkheid, robuustheid, waarbij alles toch weer om mezelf draait of om mensen bij wie ik in aanzien wil staan. Aan zulke aardse schatten knaagt de tand des tijds, of de voorbijgaande belangstelling van de mensen of de ouderdom met zijn interende kracht. Op den duur wordt alles duister. Maar wie bij alles wat hij voor God doet, alleen God voor ogen heeft, bij zo iemand is het oog helder en dat heldere oog is de spiegel van zijn heldere ziel, die door het innerlijke licht van de genade wordt verlicht. Zulke mensen stralen een zacht en warm licht uit over heel hun omgeving, zodat "zij uw goede daden zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is" (Mt 5,16).