Zaterdag in de elfde week
  van het oneven jaar
                         

Eerste lezing: 2 Korintiërs 12,1-10  
Evangelie: Matteüs 6,24-34  


Inleiding  

'En méér zij gezegend de vrucht van uw schoot.' Dat er één mens op aarde is, dat er één stukje aarde is, dat ontvankelijk is voor het Woord van de hemel. Vóór de vrucht in de schoot van Maria kwam, heeft de hemel zich op aarde eerst een stukje hemel gevormd, een stukje aarde van pure, zuivere ontvankelijkheid, om Hem die alleen maar in pure, zuivere ontvankelijkheid kan worden ontvangen, op te nemen. Dat is wat we op de zaterdag, als voorbereidingsdag op de dag van de Heer, vieren. Mogen we die ontvankelijkheid in Maria eren en ook in onszelf laten groeien.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Niemand kan twee heren dienen:
hij zal de een haten en de ander liefhebben,
ofwel de een aanhangen en de ander verachten.
Gij kunt niet God dienen én de mammon.
Daarom zeg Ik u:
Weest niet bezorgd voor leven,
wat ge zult eten of wat ge zult drinken,    
en ook niet voor uw lichaam, wat ge zult aantrekken.
Is het leven niet méér dan het voedsel
en het lichaam niet méér dan de kleding?
Let eens op de vogels in de lucht:
ze zaaien niet en maaien niet
en verzamelen niet in schuren,
maar uw hemelse Vader voedt ze.
Zijt gij dan niet veel méér dan zij?
Trouwens, wie van u is in staat
met al zijn tobben aan zijn levensweg één el toe te voegen?
En wat maakt gij u zorgen over kleding?
Kijkt naar de leliën in veld: hoe ze groeien.
Ze arbeiden noch spinnen.
Toch zeg Ik u:
Zelfs Salomo in al zijn pracht was niet gekleed als een van hen.
Als God nu het veldgewas dat er vandaag nog staat
en morgen in de oven wordt geworpen, zó kleedt,
hoeveel te meer dan u, kleingelovigen?
Maakt u dus geen zorgen over de vraag:
wat zullen wij eten of wat zullen wij drinken,
of wat zullen wij aantrekken!
Want dat alles jagen de heiden na.
Uw hemelse Vader weet wel dat gij al deze dingen nodig hebt.
Maar zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid:
dan zal dat alles u erbij gegeven worden.
Maakt u dus niet bezorgd voor de dag van morgen,
want de dag van morgen zorgt voor zichzelf.
Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed.

Homilie  

“Weest niet bezorgd voor uw leven, wat ge zult eten of wat ge zult drinken …"
Vertelt u me dan maar eens hoe het eten op tafel komt, als er niet gezorgd mag worden! Evangelische zorgeloosheid ontslaat ons niet van onze plicht te zorgen. Het is met de evangelische zorgeloosheid als met andere evangelische raadgevingen: 'oordeelt niet', 'weest niet bang.' 'Oordeelt niet' betekent niet dat je niet mag oordelen, maar dat je in je oordeel voeling blijft houden met Gods oordeel van liefdevolle barmhartigheid, en in gedachten houdt dat je zelf ook nog onder het oordeel staat, zodat je oordeel altijd van een veroordelend, negatief oordeel in een positief, vrijsprekend oordeel omslaat.

Zo is het ook met het bang zijn. Tot de radeloos angstige leerlingen op het meer van Galilea zegt Jezus: "Waarom zijt ge zo bang?" Hadden ze dan niet bang mogen zijn!? Zelf is Hij toch ook bang geweest in de Hof van Olijven: "Hij begon Zich ontsteld en beangst te gevoelen" (Mc 14,33). We mogen wel bang zijn, maar 'rustig' bang. Bij alle angst die door je hart heen jaagt, zodat je het dreigt te besterven van schrik, mag je toch nooit het gevoel voor zijn aanwezigheid verliezen. Je mag niet in je gevoelens van angst opgaan, zodat je erin ondergaat. Hier past het woord van Paulus: "Zij die met het aardse omgaan, moeten er niet in opgaan; want de wereld die wij zien gaat voorbij" (1 Kor 7,31).

Zo is het ook met de zorg. Je mag wel zorgen, maar steeds zo, dat je voeling houdt met de zorg van God. Dan verliest je zorg voor anderen zijn krampachtigheid, wordt meer ontspannen, meer gelovig. Want God zorgt ook. Voor mensen en dingen waarvoor Hij de zorg aan ons heeft opgedragen, maar ook voor mijzelf: ik mag mij met al mijn zorgen altijd door zijn zorgen omringd weten. Dat mogen ouders aan hun kinderen overdragen: dat zij bij al hun zorgen toch vooral de vrede overdragen.

"Uw hemelse Vader voedt de vogels in de lucht. … God kleedt het veldgewas." Maar dat doet de natuur toch? Daar hoeft God toch niet aan te pas te komen? Wie gelovig in het leven staat, zoals Jezus, voelt Gods vaderlijke aanwezigheid en werkzaamheid door de zintuiglijke waarneembare buitenkant van de dingen heen: Jezus ziet zijn Vader aan het werk. Dat is wat christenen 'beschouwing' noemen, 'contemplatie', met de bezieling van de liefde de onzichtbare, verborgen binnenkant van de schepping waarnemen.

Mensen kunnen dat doorgaans niet vanzelf bespeuren. Hun hart moet ervoor wakker gemaakt worden. Jezus heeft zijn leerlingen eens bewust in een bepaalde situatie gebracht waar zij wel gevoelig moesten worden voor die zorg van hun hemelse Vader: "Hierna wees de Heer twee en zeventig anderen aan en zond hen twee aan twee naar alle steden en plaatsen waarheen Hijzelf van plan was te gaan. Hij sprak tot hen: Gaat dan, maar zie, Ik zend u als lammeren tussen wolven. Neemt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel" (Lc 10,3-4). Onverantwoord om mensen zo het leven in te sturen, een willige prooi voor wolven! Menselijk onverantwoord, maar voor God volkomen verantwoord, want zo werden ze pas gevoelig voor de zorg van de hemelse Vader. Later komt Jezus erop terug en vraagt hoe zij zich in die situatie hebben gevoeld: "Jezus sprak tot hen: Toen Ik u uitzond zonder beurs, reiszak of schoeisel, hebt ge toen aan iets gebrek gehad? Ze antwoordden: Aan niets" (Lc 22,35). Je moet dus in een situatie van nood terecht komen, gewild of ongewild, wil je de zorg van de hemelse Vader op het spoor komen. In een situatie van overvloed en luxe wordt God nauwelijks ervaren. Ooit werd de gevoeligheid voor Gods aanwezigheid vergeleken met de bundels fel licht van de vuurtoren: overdag zijn zij nauwelijks waarneembaar, maar in het nachtelijke duister zijn ze kilometers ver uit de kust te zien.

Nooit in de mensheidsgeschiedenis is het zo duister geweest als op die Goede Vrijdagmiddag, toen er "vanaf het zesde uur een duisternis viel over het hele land, tot aan het negende uur toe." Op het negende uur (drie uur 's middags), was de duisternis in Jezus' hart volledig: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Ge Mij verlaten?" Maar ook nooit was er in de mensheidsgeschiedenis méér licht, méér hemels licht, méér aanwezigheid van God. Dit clair-obscur van Jezus' kruisdood vergezelt de mensheid door heel zijn geschiedenis. Wij, gelovigen, leerlingen van Jezus, mogen het in de eucharistie beleven.