Elfde zondag door het jaar,
              jaar C
Eerste lezing: 2 Samuël 12.7-10.13
Tweede lezing: Galaten 2,16.19-21
Evangelie: Lucas 7,36-8,3


Inleiding  

'Heer, luister naar mijn bidden en smeken. Kom mij te hulp, laat mij niet alleen. Verstoot mij toch niet. God, bij U is mijn heil.'
God alleen is voldoende. Hij is hier de enige, echte aanwezige. Je ziet Hem niet, je hoort Hem niet, Hij beweegt Zich niet, maar aan de bewegingen van ons hart, bewegingen van liefdevol vertrouwen en dankbaarheid, dááraan weten wij dat Hij er is. Dat is wat de liturgie van onze Kerk de aandrijfkracht geeft, die overtuigt dat God er is en dat Hij ons redt. Wij zijn als een drenkeling die zijn hand uitsteekt naar de Redder, die op zijn beurt zijn hand uitsteekt naar ons, en niet alleen zijn hand, maar zijn eigen Zoon, Jezus, heeft gegeven, om ons te redden uit de verdrinkingsdood in de zonde.
Aan het begin van ons gelovig leven zijn wij in het heilig Doopsel door God op het droge getrokken; uit de vloed van de zonde zijn wij in de Ark van het Verbond droog en veilig, gezond en wel, geestelijk gezond, bij Hem gekomen. Dat willen wij aan het begin van deze zondagse eucharistie nog eens opnieuw vieren, zodat deze viering tot in de fundamenten van ons bestaan kan worden meegevierd.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Eén van de Farizeeën vroeg Jezus eens bij zich te eten.
Jezus trad het huis van de Farizeeër binnen en ging aanliggen.
Een vrouw nu, die in de stad als zondares bekend stond,
was te weten gekomen
dat Jezus in het huis van de Farizeeër te gast was.
Zij nam een albasten vaasje met balsem mee
en ging schreiend achter Hem, bij zijn voeten staan.
Haar tranen maakten zijn voeten nat,
die ze met haar hoofdhaar afdroogde.
Zij kuste ze keer op keer en zalfde ze met balsem.
Toen de Farizeeër die Hem uitgenodigd had dit zag,
zei hij bij zichzelf:
“Als dit een profeet was zou Hij weten
wie en wat voor een vrouw het is die Hem aanraakt;
het is immers een zondares.”
Jezus gaf hem ten antwoord:
“Simon, ik heb u iets te zeggen.”
Waarop deze zei:
“Zeg het, Meester.”
“Een geldschieter had twee schuldenaars,
de een was hem vijfhonderd, de ander vijftig denariën schuldig.
Omdat zij die niet konden teruggeven
schold hij ze aan allebei kwijt.
Wie van hen zal nu het meest van hem houden?”
“Ik veronderstel,” - antwoordde Simon -
“diegene aan wie hij het meeste heeft kwijtgescholden.”
Jezus zei tot hem:
“Uw oordeel is juist.”
Daarop keerde Hij Zich tot de vrouw en zei tot Simon:
“Ge ziet die vrouw daar?
Ik kwam uw huis binnen;
gij hebt niet eens water over mijn voeten gegoten,
maar mijn voeten zijn nat geworden door haar tranen
en zij heeft ze met haar haren afgedroogd.
Gij hebt Mij niet eens een kus gegeven,
maar zij hield, sinds Ik binnenkwam
niet op mijn voeten te kussen.
Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd,
maar zij heeft mijn voeten gezalfd met balsem.
Daarom zeg Ik u:
haar zonden zijn haar vergeven, al waren ze vele,
want zij heeft veel liefde betoond.
Aan wie weinig wordt vergeven, hij betoont weinig liefde.”
Daarop sprak Hij tot haar:
“Uw zonden zijn vergeven.”
De medeaanliggenden vroegen zich af:
“Wie is deze man, die zelfs zonden vergeeft?”
Jezus zei tot de vrouw:
“Uw geloof heeft u gered: ga in vrede.”
Er volgde nu een tijd
waarin Jezus predikend rondtrok door stad en dorp
en de Blijde Boodschap van het Rijk Gods verkondigde.
De twaalf vergezelden Hem en ook enkele vrouwen
die van boze geesten en ziekten verlost waren:
Maria, die Magdalena wordt genoemd,
uit wie zeven duivels waren weggegaan,
Johanna, de vrouw van Herodes' rentmeester Chuzas,
Suzanna en vele anderen, die uit eigen middelen voor hen zorgden.

Homilie  

In dit evangelie van vandaag een aantal personen die met elkaar omgaan, contact hebben, communiceren, handelingen stellen en dan reageren op wat ze doen. Daar is het menselijk leven vol van en de heilige Schrift staat er ook vol van. Een bekende predikant maakte van de heilige Schrift een boek met verhalen, een verhalenboek, de hele heilige Schrift dus als een bundel verhalen. Maar in die verhalen is het wel God die - wat men in de dramatiek noemt - de protagonist is, de hoofdrolspeler, van wie de handeling uitgaat en naar wie het ook weer teruggaat. Hij krijgt tegenspel van een tegenspeler of spelers, maar dat is of zijn allemaal figuren die een bijrol hebben. In het Oude Verbond was die hoofdfiguur God zelf, machtig en krachtig aanwezig, maar onzichtbaar en onhoorbaar. In het Nieuwe Verbond krijgt God een menselijke gestalte in Jezus. Hij is dan één van de mensen met een stem, met handen en vooral met een menselijk hart.

Doordat God in die verhalen de hoofdrol heeft, Degene is van wie de handeling uitgaat en op wie de handeling gericht is en die zelf de ontknoping is van het hele drama, dáárdoor worden die verhalen voor de gelovige lezer en lezeres een leerverhaal. Je kunt er iets uit leren. Je leert eruit hoe God een rol speelt in je eigen levensverhaal. Die verhalen leren ons in beelden wat wij moeten geloven in de taal van de geschiedenis, in de taal van de menselijke verhoudingen. We hoeven ons maar het verhaal voor de geest te halen en we weten meer over de verhouding van God tot de mensen en over de verhouding van de mensen tot God dan door de allergeleerdste verhandelingen. De allergeleerdste verhandelingen moeten weer teruggaan tot deze verhalen. Ze moeten er zich steeds aan toetsen. Leerstellige verhandelingen over God kunnen nooit méér zeggen dan dit verhaal. Hierin ligt alles besloten. De allergeleerdste theoloog en de minst onderlegde gelovige laven zich beiden aan dezelfde bron, de heilige Schrift. We hoeven het verhaal maar na te vertellen en wij hebben de hele verlossingsleer voor de geest en, naar ik hoop, ook in ons hart.

Jezus was een rondtrekkende Rabbi. Zo eindigt dit stuk evangelie: "Er volgde nu een tijd waarin Hij predikend rondtrok door stad en dorp en de Blijde Boodschap verkondigde." En overal waar Hij kwam, ging Jezus op de dag van de Sabbat naar de synagoge, de plaats waar de gelovigen samenkomen. In zo'n synagogedienst was er altijd een moment waarin iemand van de aanwezige gelovigen het woord kon nemen en daarvan maakte Jezus gebruik. Als de dienst voorbij was, werd Hij gewoonlijk uitgenodigd door de plaatselijke geestelijkheid voor een maaltijd en dat was in dit geval Simon, de Farizeeër. Er hoeft bij hem nog geen sprake geweest te zijn van echt geloof in Jezus, het kan een loutere formaliteit geweest zijn van. Van de andere kant schijnt deze Simon toch wel iets meer in Jezus gezien te hebben, want hij zegt: "Als dit een profeet was, …" Misschien had hij gehoord dat Jezus een profeet was en wilde hij Jezus testen of Hij echt wel een profeet was. Hoe dan ook, de maaltijd is in volle gang, een feestelijke maaltijd, want de tafels stonden in een feestelijke rangschikking, met rustbanken erom heen, om op aan te liggen, zoals de Joden gewend waren bij plechtige, feestelijke gelegenheden zoals bij het Pascha. Ze waren in een feestelijke stemming.

Nu was er op die dag nog iemand in een feestelijke stemming. Een vrouw, een zondares, een publieke vrouw, die om haar zondig leven in het hele stadje bekend was. Waarom was zij nu in zo'n feestelijke stemming? Ze was ook in de dienst geweest waar die vreemde Rabbi het woord had gevoerd, en gaandeweg was er bij haar een overweldigend gevoel van dankbaarheid opgekomen. Wat had haar hart dan zo dankbaar gemaakt? Jezus had haar hart geraakt, haar zondige hart. Jezus had namelijk gesproken over de zonden, maar niet op de bekende manier van de schriftgeleerden en Farizeeën, die de kunst verstonden om iemand nog verder in de put te duwen, nee, Jezus deed dat heel anders. Hij sprak over de zonden zonder ze te verbloemen. Hij liet een genadeloos licht schijnen over hoe erg de zonde wel niet was. Maar dat was niet het laatste. Niet het aanklagen van de zonde was het einde, maar het verkondigen van Gods barmhartige liefde voor de zondaar. Jezus was dus negatief over de zonde, maar positief over de zondaar, de mens achter de zonde. Jezus deed dat met zoveel gezag, niet zoals elders staat: zoals de schriftgeleerden en Farizeeën, maar Hij deed dat met gezag, met volmacht. Hij sprak als de gevolmachtigde van God zelf. Hij sprak met het gezag van God. Hij sprak met liefde, met de zuivere liefde van de heilige Geest, met zalving, zoveel zalving, dat die zondares geloofde dat haar zonden, waarover zij berouw had, vergeven waren. Nog voordat Jezus de woorden tot haar sprak "Uw zonden zijn vergeven", wist zij zich, in die woorden die Jezus sprak tot iedereen, persoonlijk door God vergeven, tot in het diepst van haar hart. Precies als bij de Emmausleerlingen, toen Jezus aan hen de schriften uitlegde en hun hart brandde in hun binnenste, zo was het ook bij deze vrouw. Ze wist zich persoonlijk aangesproken en werd tot in het diepst van haar hart gegrepen, zodat ze van dankbaarheid vervuld werd over de verkregen vergiffenis. Haar dankbare liefde stroomde uit naar de Persoon van Jezus. Die woorden waren voor haar als balsem, dat was wat zij nodig had om haar gevoelen tot uitdrukking te brengen.

Zo is God, zo doet God. En om dat des te beter uit de verf te laten komen, toont Jezus ons de tegenspeler: Simon, de Farizeeër. Voor hem is er een kloof tussen de zondaar en God en dus ook tussen hem, de Farizeeër, en de zondaar en deze zondares. "Als dit een profeet was, zou Hij weten wie en wat voor een vrouw het is die Hem aanraakt: het is immers een zondares." Door afstand te nemen ten aanzien van de persoon van de zondaar openbaart hij de afstand die er is tussen de heilige God en de zondige mens. De zondaar stevent regelrecht af op zijn veroordeling. Zo was het toen onder de leiders van de Kerk en de samenleving en onder de mensen in het algemeen, en zo is het nu nog steeds. In de wereld zegeviert het oordeel over de barmhartigheid. Dat kun je uit allerlei uitdrukkingen en allerlei verschijningen opmaken: ik zal het haar betaald zetten; die zal er nog eens van lusten; iemand dubbel en dwars betaald zetten; boontje komt om zijn loontje; die komt er bij mij niet meer in; eigen schuld, dikke bult. De mensen zijn zó anders dan God. Ze zijn zondaars en God is heilig, maar ze zijn onbarmhartig tegenover Gods barmhartige liefde.

Wat leren we nu aan de hand van dit verhaal? Jezus maakt dat nog eens duidelijk met een vergelijking. Hij gaat het gedrag van die zondares uitleggen aan de hand van een vergelijking. Waarom doet ze zo? Wat is de reden van haar tranen? Jezus zegt: aan de wederliefde weerspiegelt zich de vergevende liefde van God. Wat is nu de leer voor ons? Houdt God van mij? Als die vraag je werkelijk tot vraag wordt, dan ontdek je al heel gauw, dat er niet zoveel beminnenswaardig in je is. Hoe kan Hij van mij houden? Er is meer schaduw dan licht. Achter dat mooie masker van mij huist een boos en gesloten hart. Maar juist dáárom houdt Hij van mij! Barmhartige liefde! De liefde van de mens voor God is altijd nederige liefde, berouwvolle liefde. Daarom begint de heilige Mis ook altijd met een boetedienst, in het klein confiteor: 'Ik belijd mijn schuld, mijn grote schuld'. Niet om de mensen in de put te duwen: hoor nu eens goed wie je bent, maar om vanuit de put, waarin we wegens onze zonde zitten, de hand uit te steken naar God, die ons in zijn barmhartige liefde gaat redden, én om dat steeds weer opnieuw tot een echte, persoonlijke ervaring te laten worden.

Dat is het doel van de eerste week van de Geestelijke Oefeningen van Ignatius van Loyola. Niet om iemand in de put te duwen, maar juist om hem uit de put te halen door de barmhartige liefde van God. Dat is zo'n zekerheid, dat Gods barmhartige liefde altijd sterker is dan onze zonden, de zonden van onze eigenliefde.
Zelfkennis is liefde. Dat is wat de mensen zoeken. Maar God geeft ons de kennis van zijn Hart, want zijn liefde is een liefde voor zondige mensen, die Hem de rug hebben toegekeerd. Hij beantwoordt onze trouweloosheid met trouw. Dat is wat we leren en wat we dus in de vieringen van de liturgie ook mogen ervaren, of beter gezegd aan ons mogen laten gebeuren.