Eerste lezing: 2 Koningen 24,8-17 [III 139];
Evangelie: Matteüs 7,21-29 [III 140]
Inleiding
'Cibavit eos ex adipe frumenti.' Een herinnering uit de geschiedenis van het Joodse volk. Een intiem gebeuren, zoiets een bladzijde uit het familiealbum. Hoe het volk in de woestijn werd gevoed. In de nood kwam er hulp van onverwachte zijde, hulp uit de hemel. Dat dient als illustratie bij de heilige eucharistie. Ook wij worden, in onze nood, in onze zondennood, onverwacht gevoed met genadebrood uit de hemel. Er is een nieuwe intimiteit gegroeid, een intimiteit van God met de mensen, en deze mag ook de intimiteit zijn van ons allen met elkaar.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Niet ieder die tot Mij zegt:
Heer, Heer, zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen,
maar Hij die de wil doet van mijn Vader, die in de hemel is.
Velen zullen op die dag tot Mij zeggen:
Heer, Heer, hebben wij niet in uw Naam geprofeteerd?
En hebben wij niet in uw Naam duivels uitgedreven?
En in uw Naam veel wonderen gedaan?
Maar dan zal Ik hun onomwonden verklaren:
Nooit heb Ik u gekend;
gaat weg van Mij, gij die ongerechtigheid doet!
Ieder nu, die deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt,
kan men vergelijken met een verstandig man
die zijn huis op de rotsgrond bouwde.
De regen viel neer,
de bergstromen kwamen omlaag,
de storm stak op en stortte zich op dat huis, maar het viel niet in,
want het stond gegrondvest op de rots.
Maar ieder die deze woorden van Mij hoort,
doch er niet naar handelt,
kan men vergelijken met een dwaas
die zijn huis bouwde op het zand.
De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag,
de storm stak op en zij beukten dat huis
zodat het volledig verwoest werd.
Toen Jezus deze toespraak geëindigd had,
was het volk buiten zichzelf van verbazing over zijn leer.
Want Hij onderrichtte niet zoals hun schriftgeleerden,
maar als iemand die gezag bezit.
Homilie
Het evangelie schildert wat een mens overkomt wanneer hij niet de wil van God doet. Zijn huis, op zand gebouwd, wordt door de opstekende storm overvallen, regen en wind beuken erop, zodat het volledig verwoest wordt. Dat zien we in het tweede boek der Koningen gebeuren aan een heel volk. "In die tijd trokken de veldheren van Nebukadnessar, de koning van Babel, naar Jeruzalem en sloegen beleg voor de stad. Nebukadnessar zelf verschijnt voor de stad, koning Jojakin geeft zich over en het land wordt leeggeplunderd. "
alle hoge ambtenaren en alle krijgers, tienduizend man, met alle smeden en slotenmakers worden in ballingschap weggevoerd. Niemand bleef er over dan alleen de armsten van het land. De tempel en het paleis worden geplunderd. Waarom dat alles? Hij - koning Jojakin - deed wat de Heer mishaagde." Hij bouwde zijn bestaan, het bestaan van het volk, niet op rotsgrond, op de wil van God, maar op zand, op zijn eigen wil.
In het evangelie zijn we gekomen aan het einde van de Bergrede. Daarin wordt afgerekend met wat men de gevaarlijkste vijand van Jezus' levensopvatting en Jezus' leer zou kunnen noemen. Dat zijn niet de ongelovigen en ook niet de vervolgers, de mensen die het de gelovigen moeilijk maken, maar dat zijn - wat Jezus noemt - de wolven in schaapskleren. "Wacht u voor de valse profeten, mensen die tot u komen in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn" (Mt 7,15). Ze spelen buitenkant en binnenkant tegen elkaar uit. Van buiten zijn ze zacht en vriendelijk, mooi, aantrekkelijk, maar van binnen zijn ze anders. Ze roepen: 'Heer, Heer', ze profeteren en drijven duivels uit, doen wonderen, veel wonderen, wonderen van goedheid zou je kunnen zeggen, maar "aan hun vruchten zult ge ze kennen" (Mt 7,16).
Wat zijn dan die vruchten? Verdeeldheid. Dat is de vrucht van de slechte boom in de aanplanting van God, in Gods wijngaard. Ze zaaien verdeeldheid, onrust, verwarring, met ogenstrelende shows van goede daden. Ze behoeden angstvallig hun image, hun imago. Ze timmeren flink aan de weg en buiten de fouten van hun medemensen in hun eigen voordeel uit, zoals de Farizeeër die in de voorhof van de tempel stond te bidden en zei: "Ik dank U, God, dat ik niet zo ben als de rest van de mensen. Rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar daar" (Lc 18,11). Hij dankt God niet voor zichzelf, maar hij dankt God omdat hij meent dat hij niet is als de anderen. Zijn goedheid bestaat uit slechtheid, zijn goedheid bestaat bij de gratie van de slechtheid van de ander. 'In het land der blinden is eenoog koning.' Met al die blinden om je heen kun je je met je ene oog een groot licht wanen. Aan de duistere hemel fonkelt dat ene kleine sterretje met grote luister. Dat is het voorbeeld, dat is de wijze van doen en denken, van mensen die zich vooral op het uiterlijk toeleggen. Die overtreffen anderen voortdurend met groot gemak.
Wat staat er nu tegenover dit soort mensen, tegenover wat Jezus noemt de valse profeten? Dat zijn de mensen die de wil van God doen, die hun leven, hun eigen persoon en ook de persoon van de medemens, uit Gods hand aannemen. Een soort kindergevoel, waardoor er vanuit de kinderlijke verbondenheid met God een solidariteit ontstaat met anderen. God is onze Vader, de Vader van het grote gezin van de mensen. Zo ontstaat er tegelijkertijd een onderlinge broederschap, een onderlinge solidariteit, een broederlijke en zusterlijke verbondenheid met de medemensen. Het is dus meer een solidariteit van zwakken dan een solidariteit van sterken. Een solidariteit in barmhartigheid. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje, we zitten allemaal aan dezelfde tafel en eten daar hetzelfde genadebrood. Als de een wat meer of wat beter is dan de ander, is dat niet zijn eigen verdienste, maar is dat een teken dat God met hem op die manier is bezig geweest. De wil van God is: slechten en goeden, ze horen bij elkaar. "Hij waakt over slechten en goeden. Hij laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen", zegt Jezus in het begin van diezelfde Bergrede (Mt 5,45). Of, in een parabel: In het ene sleepnet horen grote en kleine vissen bij elkaar. De vissen die te klein zijn, worden later uit het sleepnet gegooid, maar dat gebeurt pas bij de oogst, bij het oordeel. Tijdens onze aardse reis zijn wij reisgenoten, groten en kleinen, tarwe en onkruid. Niet uitrukken dat onkruid, nee: "laat beide samen opgroeien tot de oogst" (Mt 13,30). En ijveraars als Johannes en Jakobus, die vuur uit de hemel willen afroepen over de Samaritanen om hen te verdelgen, maakt Jezus een streng verwijt. Jezus is streng tegenover de strengen. Jezus sluit mensen uit die anderen uitsluiten, dat is zijn goedheid. Jezus straalt vrede uit. Hij verzoent, brengt bijeen, sticht eenheid, zoals in de eucharistie. Want als wij te communie gaan, bekennen we eerst allemaal dat wij onwaardig zijn, niemand is waardig, niemand is meer waardig dan de ander. Elke mens heeft zijn lichte en zijn schaduwkanten, die moeten we ook niet ten opzichte van onszelf tegen elkaar uitspelen. De schaduwzijde moeten we niet verdringen, maar aannemen. Ze juist wel aannemen, omdat ze ons ontvankelijk maakt voor zijn barmhartigheid, voor zijn genadebrood. We moeten van genade willen leven en niet van eigen verdienste, niet zelfgenoegzaam. We mogen er zijn, omdat we er van Hém mogen zijn.