Zaterdag in de twaalfde week
      door het even jaar
Eerste lezing: Klaagliederen 2,2.10-14.18-19 [III 143]
Evangelie: Matteüs 8,5-17 [III 144]


Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Toen Jezus in Kafarnaüm aangekomen was
kwam een honderdman naar Hem toe,
die zijn hulp inriep met de woorden:
“Heer, mijn knecht ligt verlamd in mijn huis
en lijdt vreselijke pijn.”
Hij sprak tot hem:
“Ik zal hem komen genezen.”
Maar de honderdman antwoordde:
“Heer, ik ben het niet waard dat Gij onder mijn dak komt;
maar een enkel woord van U is voldoende
om mijn knecht te doen genezen.
Want al ben ikzelf een ondergeschikte,
ik heb weer manschappen onder mij;
en tot de een zeg ik: ga, en hij gaat;
en tot een ander: kom, en hij komt;
en aan mijn knecht: doe dit, en hij doet het.”
Toen Jezus dit hoorde, stond Hij verwonderd
en zei tot hen die Hem volgden:
“Voorwaar, Ik zeg u:
Bij niemand in Israël heb Ik een zó groot geloof gevonden.
Ik zeg u,
dat velen uit het oosten en het westen zullen komen
en met Abraham, Isaak en Jakob
zullen aanzitten in het Rijk der hemelen;
maar de kinderen van het Rijk
zullen buiten geworpen worden in de duisternis;
daar zal geween zijn en tandengeknars.”
En tot de honderdman sprak Jezus:
“Ga, zoals gij geloofd hebt, geschiede u.”
En op datzelfde ogenblik werd de knecht gezond.
Toen Jezus in het huis van Petrus gekomen was,
vond Hij diens schoonmoeder met koorts te bed liggen.
Hij raakte haar hand aan en zij werd vrij van koorts.
Zij stond op en bediende Hem.

Toen de avond gevallen was
bracht men veel bezetenen bij Hem.
Hij dreef door een woord de geesten uit
en alle zieken genas Hij, opdat in vervulling zou gaan
wat door de profeet Jesaja gezegd was:
Hij heeft onze zwakheden weggenomen
en onze ziekten heeft Hij gedragen.

Homilie  
   

Het evangelie van gisteren ging over iemand die onrein was, een melaatse. Hij moest zelfs 'onrein, onrein' roepen als er mensen in zijn buurt kwamen, zodat de mensen bij hem uit de buurt bleven en niet zouden worden verontreinigd. Deze melaatse is een aanschouwelijk beeld van de mens vóór het doopsel. De Kerk heeft in de melaatse en met wat er met hem gebeurde, - de reiniging door Jezus - de mens gezien die vóór het doopsel in zo'n ellendige toestand is als een melaatse en door Jezus in het waterbad van de reiniging wordt gereinigd.

Vandaag gaat het evangelie over een onreine die voor ons het beeld is geworden van de gelovige vóór de eucharistie, vóór het te communie gaan. Dan zegt hij de woorden van de honderdman: "Heer, ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak komt”, 'dat Gij tot mij komt'. Want een heiden is onrein in een andere zin: wie met een heiden omgaat, wordt zelf onrein, cultisch onrein; we kennen dat uit het lijdensverhaal. “De Joden brachten Jezus van het huis van Kajafas naar het pretorium (een grondgebied van de heidenen). Zelf gingen zij het pretorium niet binnen, want ze moesten het paasmaal kunnen eten en mochten zich daarom niet verontreinigen. Daarom kwam Pilatus naar buiten" (Joh 18,28.29) om met hen te spreken.
De Joden geloofden, dat als zij bij een heiden binnengingen zij onrein werden. Cultisch onrein als zij dan waren mochten zij geen heilige handelingen stellen, niet het paasmaal eten, niet met God omgaan, want God gaat niet om met heidenen, God gaat alleen om met zijn eigen volk, zijn uitverkoren volk. De honderdman weet van dit geloof van de Joden, hij respecteerde dat en hij schikte zich naar de verhoudingen zoals hij die nu eenmaal aantrof in dat land.

Toch is dat nu juist wat Jezus is komen openbaren, dat God er niet alleen is voor de Joden, maar voor álle volkeren, voor álle mensen, in een alle grenzen overschrijdende goedheid. Mensen die er helemaal geen recht op kunnen doen gelden, juist die wil Hij zijn goedheid meedelen, voor niets, gratis. Het is zijn genadige goedheid, zijn verlossing, zijn zelfmededeling. Er is maar één voorwaarde nodig om zijn zelfmededeling in je hart te ontvangen, niet het toebehoren tot een bepaald volk, niet bepaalde wetten onderhouden, gerechtigheid bedrijven, deugden hebben, bepaalde rituelen volgen, een goed mens zijn, talenten hebben, nee, niets van dat alles, niets zelf hebben, maar geloven dat God goed is, geloven in de macht en in de goedheid van God, in de zichzelf wegschenkende goedheid van God.
Dát geloven, zoals die honderdman geloofde dat Jezus de macht had om zijn knecht te genezen. Hij heeft zelf macht over anderen: "Ik heb manschappen onder mij, en tot de een zeg ik: ga en hij gaat; en tot een ander: kom en hij komt en aan mijn knecht, zijn adjudant, zeg ik: doe dit en hij doet het." Maar nu weet hij zichzelf een ondergeschikte; zoals hij een ondergeschikte is tegenover zijn superieuren, zo is hij nu een ondergeschikte tegenover God, die in Jezus aan hem gaat handelen. Jezus kan dus net zoals hijzelf gebieden met één enkel woord, één woord is genoeg. En zo geschiedde het: "Zoals gij geloofd hebt, geschiede u."

Dat woord heeft geschiedenis gemaakt, nu nog bij ons. Nog steeds zeggen wij datzelfde woord, en Jezus doet de rest; Hij maakt het verder af. Soms raakt Hij de hand aan van een zieke, zoals bij de schoonmoeder van Petrus, de meeste keren is één enkel woord van Hem genoeg. Hij dreef door één woord de boze geesten uit. Wat een macht, wat een superioriteit, wat een overwinning. Wat is Jezus machtig! Maar het is geen eigenmachtigheid, het is geen superioriteit op de manier dat Hij erboven staat, nee, Hij draagt de lasten van de mensen. Hij neemt ze van ons af door ze weg te dragen. Want dat is wat Matteüs voor de geest kwam, toen hij dat wonder en al die andere wonderen van Jezus verhaalde. Toen hij zag dat Hij de zieken genas, de een na de ander, kwam hem het beeld van de Lijdende dienstknecht voor ogen: "Hij heeft onze zwakheden weggenomen en onze ziekten heeft Hij gedragen" (Js 53,4).
Jezus' macht is dienst; Hij draagt de lasten van de mensen, Hij draagt onze zonden. Zo leren wij van Hem, één geworden met Hem in de communie, om dat ook aan elkaar te doen. Draagt elkanders lasten.