Vrijdag in de twaalfde week
      van het even jaar
Eerste lezing: 2 Koningen 25,1-12
Evangelie: Matteüs 8,1-4


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Toen Jezus van de berg was afgedaald
volgde Hem een talrijke menigte.
Een melaatse kwam naar Hem toe
en smeekte Hem op zijn knieën: “Als Gij wilt, Heer, kunt Gij mij reinigen.”
Jezus stak de hand uit, raakte hem aan en zei:
“Ik wil, word rein.”
En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd.
Jezus sprak tot hem:
“Zorg er voor dat ge het niemand zegt,
maar ga u laten zien aan de priester
en offer de gave die Mozes heeft voorgeschreven,
om ze het bewijs te leveren.”

Homilie      

De zwartste bladzijden in de geschiedenis van Israël: het eerste en het tweede boek van de Koningen. Stap voor stap wordt heel minutieus de totale catastrofe van de rijken van Juda en Israël beschreven. Hoe kan die geschiedschrijver dat doen? 'Het is toch gebeurd', zouden wij zeggen, het is toch geschiedenis, dus moet het worden opgeschreven. Maar toen was dat niet zo. Toen schreef men alleen maar op wat de naam van de koning groter maakte; wat de naam van de koning niet verhief, werd niet vastgelegd en wat eer of oneer bracht aan het volk al helemaal niet. Toch wordt hier heel die neergang tot in details beschreven. Ze hadden daar een bedoeling mee. De auteur wil laten zien dat dit een rechtvaardig oordeel was, dat het paste in de wijze waarop God met zijn volk omging. Israël wordt steeds door God getuchtigd wanneer het ontrouw was aan het Verbond. Wanneer het zich dan bekeerde en tot God riep, tot God zijn toevlucht nam, werd het steeds weer geholpen. Het is opgeschreven opdat het volk uit deze ervaring een les zou trekken, de les die er stilzwijgend achter de feiten en achter het verhaal steekt: 'Blijf God trouw, want de zonde straft zichzelf. Alleen in het verbond met God is er toekomst en hoop.' Er steekt dus een opvoedkundige bedoeling achter.

En wat Israël heeft beleefd: de tempel verwoest, het koninklijk paleis in brand gestoken, de koning de ogen uitgestoken nadat hij eerst heeft moeten toezien hoe zijn zonen werden afgeslacht, de bevolking weggesleept, de muren gesloopt, wat een heel volk beleeft, dat beleeft een enkeling wanneer hij door de ziekte van de melaatsheid wordt getroffen.

"Er kwam een melaatse naar Hem toe", een beeld van uiterste ellende; melaatsheid was een beeld geworden van: vervloekt zijn door God. 'Kijk maar goed hoe hij er uitziet.' Zoals Israël in de geschiedenisboeken heel goed kon zien hoe het het volk vergaat wanneer het God ontrouw is; 'kijk maar goed, dat is de werkelijkheid van de mens zonder God.' Hoe gezond hij ook is, hoe fris en veerkrachtig wij hier ook zijn, zo is de eigenlijke toestand van de mens zonder God. Die ziekte, die melaatsheid, is een beeld, een zichtbaar beeld van de geestelijke toestand die onzichtbaar is. Het is de toestand van zijn ziel. En de genezing is een teken, een zichtbaar teken van een onzichtbare maar werkelijke genezing.

De melaatse mens die na de bergrede als eerste een ontmoeting met Jezus heeft, is voor Matteüs, de auteur van dit evangelie, het beeld van de mens vóór het doopsel. Daarom staat er tot driemaal toe 'rein': "Als Gij wilt, Heer, kunt Gij mij reinigen. Jezus zei: Ik wil, word rein, en terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd." Dat riep bij de lezers van dit evangelie onmiskenbaar de herinnering op aan het doopsel, het bad van de reiniging. Het doopsel werd het sacrament van de verlichting genoemd, maar ook het sacrament van de reiniging. Daarom is het ook het eerste wonder, zoals ook het doopsel de toegang opent voor alle andere wonderen van de genade.

Laten we ons niet verkijken op het zichtbare. We verkijken ons aan de buitenkant, de melaatsheid. Die melaatsheid zien we als iets van die melaatse, maar wat heeft dat met ons te maken? De dove kan niet horen, maar ík ben niet doof. Zo zouden wij eigenlijk door het evangelie om de tuin geleid kunnen worden, op het verkeerde been gezet. Dan gebeuren er allerlei dingen aan anderen, maar niet aan ons. Wat hebben wij dan aan dat evangelie? Het evangelie wil ons laten zien wat er, onzichtbaar, aan ons allemaal gebeurt, als God ons aanraakt, als God mens wordt, als God ons in de Kerk in aanraking brengt met Jezus, zijn Zoon. Dan geschieden die wonderen, die hier in het zichtbare zijn beschreven, in het onzichtbare, werkelijk. We zijn allemaal doof voor het Woord van God en we zijn allemaal stom, we kunnen het Woord van God niet spreken, we zijn allemaal blind en we kunnen het licht van God niet ontvangen. En als we dat dan wél zien gebeuren, als wij wel het Woord van God spreken, wel het Woord horen dat God spreekt in ons hart, als wij dat beluisteren, is dat een wonder van genade. Als u wél iets ziet in Jezus, het licht van de wereld, dan is er een wonder geschied, een veel groter wonder dan de wonderen waarop wij met onze zintuiglijke instelling zijn gefixeerd.

Jezus zegt: "Ik wil, word rein." Dat zegt Hij tegen de melaatse. Wat hebben wij eraan? Nee, dat zegt Hij nu nog, want Hij heeft van die wil een wilsbeschikking nagelaten: "het Nieuwe Testament in mijn Bloed tot vergeving van de zonden" (Mt 26,28), tot reiniging van onze geestelijke melaatsheid. U maakt het mee: het wonder van de wonderen, u bent er hier bij tegenwoordig. U hoeft het zich alleen nog maar bewust te maken. Laat u zich nu door Hem aanraken op die plekken waar u zich melaats weet. Of laat u zich aanraken op die plekken waar u anderen voor melaats houdt. Dat dat uit uw lichaam, uit het lichaam van de communiteit en uit uw hart, mag verdwijnen.