Eerste lezing: Genesis 17,1-9.10.15-22
Evangelie: Matteüs 8,1-4
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
Toen Jezus van de berg was afgedaald
volgde Hem een talrijke menigte.
Een melaatse kwam naar Hem toe
en smeekte Hem op zijn knieën: Als Gij wilt, Heer, kunt Gij mij reinigen.
Jezus stak de hand uit, raakte hem aan en zei:
Ik wil, word rein.
En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd.
Jezus sprak tot hem:
Zorg er voor dat ge het niemand zegt,
maar ga u laten zien aan de priester
en offer de gave die Mozes heeft voorgeschreven,
om ze het bewijs te leveren.
Homilie
Met de eerste lezing uit het boek Genesis staan we aan het begin van het verbond. Gij moet mijn verbond onderhouden
Dit is mijn verbond, dat ge moet onderhouden, mijn verbond met u en uw nakomelingen.
Met Isaäk en zijn nakomelingen zal Ik een verbond aangaan, een altijddurend verbond." Een verbond is een overeenkomst tussen twee verbondspartners. De ene verbondspartner komt uit de verf in de eerste lezing en de tweede verbondspartner in de tweede lezing, het evangelie van de genezing van de melaatse.
God bewijst zijn almacht, Hij dient Zich aan als de almachtige God: "Ik ben God Almachtig." Ik ben God almachtig door vruchtbaarheid te scheppen in een onvruchtbare schoot, uit een afgeleefde man. God bewijst zijn almacht door iets te doen in een situatie die volkomen is vastgelopen. Een situatie waar niemand meer iets van verwacht, met Abraham die honderd en zijn vrouw Sara die negentig jaar is. Dat is de God waaraan wij vastzitten in het verbond, zodat wij ons nooit door menselijke inschattingen, menselijke overwegingen laten leiden, in de geest van: dat wordt nooit meer wat, of daar komt niets meer van, of zo is het, het wordt niet anders. Nee, je moet altijd zeggen: je weet maar nooit. God is er ook nog! Reken niet buiten de waard. We hebben altijd nog God achter de hand, of beter gezegd: God heeft ons geschreven in de palm van zíjn hand. "En niemand kan iets uit de hand van mijn Vader wegroven " (Joh 10,29).
God is er alles aan gelegen om in zijn verlossingsplan steeds zó te werk te gaan dat de mensen kunnen zien dat Hij er de hand in heeft, dat het zijn manier van doen is, dat het zijn spoor is dat Hij achterlaat, dat zijn identiteit, zijn handtekening te herkennen is. Dat kan alleen God, want "Hij is God Almachtig."
Maar wat zijn dat dan voor situaties waaruit blijkt dat het God is die het doet? Dat is op de eerste plaats als er iets gebeurt dat in geen mensenhart, of in geen mensenverstand ooit zou zijn opgekomen, zoals: twee oude mensen nemen om een nieuw begin te maken. Iets nieuws begin je met jonge mensen. Iets nieuws begin je bij vruchtbare mensen, die in de kracht zijn van hun jaren. Maar God begint daar niet mee, want dan zou het wéér mensenwerk worden. Dan verbeelden mensen zich dat zíj het hebben gedaan of dat het iets is van hún natuur, van hún kracht. Nee, God begint iets nieuws met twee oude, afgeleefde mensen. Zowel in het Oude Verbond als in het Nieuwe Verbond, bij Zacharias en Elisabeth. En de eerste ontmoeting tussen Jezus en de menigte, nadat Jezus boven op de berg in de Bergrede het woord van God heeft gesproken, om dat woord daarna beneden in de vlakte waarheen Hij was afgedaald, te werk te stellen, díe eerste ontmoeting is er nota bene een met een melaatse.
Een melaatse is een levend lijk, is een outcast, een vogelvrij verklaarde. Als je dáármee de synagoge binnenging
! Matteüs heeft een echt kerkboek geschreven in zijn evangelie. Van de laatste serie wonderen die op dat woord van Jezus in de Bergrede volgen, laat hij het eerste wonder de reiniging zijn van een melaatse. Daar heeft hij een bepaalde bedoeling mee. Hij ziet daarin iets van het doopsel. Dat woord reinigen is ook precies wat er in het doopsel gebeurt: het onderdompelen met water was een reiniging, een verlichting. U kent dat woord wel uit de brief aan de Efeziërs, want zo noemden de eerste christenen het doopsel: de verlichting. Daarom was het verhaal van de blindgeborene (Joh 9) een commentaar op het doopsel. En dat woord reinigen komt in dit evangelie in een bijna eentonige herhaling voor, om te laten zien: we hebben het hier niet over één melaatse, maar over héél de mensheid. De diagnose van de hemelse Arts is: de mensheid is melaats. Dat zou je niet zeggen, want wij denken immers: sommigen zijn melaats en de rest is gezond. Ja, dat lijkt wel zo, maar als je goed door de buitenkant heen kijkt, dan zijn ze in hun ziel melaats, daar zijn ze als een melaatse. De mensen zien bloeiende kinderen, mannen en vrouwen in de kracht van hun leven, maar Jezus, de Kerk kijkt daar doorheen: ze zijn als melaatsen. De Kerk kan dat ook zo zien omdat die nare ziekte gelukkig niet het laatste is, omdat die melaatsheid wordt genezen. Daarom kan ze er zo frank en vrij voor uitkomen. De Kerk gaat er iets aan doen. Dat wil zeggen: God gaat er iets aan doen, God almachtig, onze hemelse verbondspartner.
Op wat voor manier doet God er dan iets aan? Dat houdt geen mens voor mogelijk. "Als Gij wilt, Heer, kunt Gij mij reinigen." En als je weet dat een arts in die dagen alleen maar kon genezen door de gewonde plek aan te raken, door lijfelijk contact, dan betekent dat het doodsvonnis voor de arts die dat doet. En die melaatse durft van zijn kant nogal wat te vragen! Want hij vraagt zoveel als: wilt U in uw liefde en in uw almacht zover gaan dat het uw eigen leven kost?
Dát is het teken van zijn liefde. Dát is zijn almacht. Zijn almacht is een almacht van liefde! Hij geeft alles wat Hij heeft. Hij geeft zijn leven. Door de melaatse, de melaatse mensheid, door ons aan te raken gaat zijn reinigende kracht over op ons en gaat onze ziekte, onze melaatsheid over op Hem. Hij heeft onze zonden op Zich genomen, gedragen en zo de wereld uitgedragen. Dáárdoor zijn wij genezen, doordat Jezus dat in liefde heeft willen dragen.
Dat is het teken van zijn liefde dat wij ook vandaag weer in de eucharistie mogen vieren. 'Dit is het nieuwe Verbond in mijn Bloed, dat vergoten wordt tot vergeving van de zonden.' Het nieuwe, steeds weer nieuw gemaakte teken van zijn liefde, van zijn almachtige liefde.