Maria op zaterdag
Heilige Cyrillus van Alexandrië, bisschop en kerkleraar
Eerste lezing: Genesis 18,1-15
Evangelie: Matteüs 8,5-17
Inleiding
'Ik groet U, vol genade.' De Bron van uw genade is God. Genade betekent: voor niets, gratis; je hebt er geen recht op, je krijgt het zo maar. Maria heeft zich onwaardig geweten de moeder van de Verlosser te worden. Die onwaardigheid was bij haar niet alleen maar een gevoel, ze voelde zich niet onwaardig, zij wás het. Ze had een keuze gedaan. "Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?" (Lc 1,34). Ze had er van afgezien om ooit moeder te worden van de Messias. Ze voelde zich niet onwaardig, zij wás onwaardigheid, zij was "de dienstmaagd van de Heer" (Lc 1,38). Zoals vandaag in het evangelie de honderdman niet een gevoel van onwaardigheid had, maar zich onwaardig wist: "Heer, ik ben niet waardig dat Gij komt onder mijn dak."
Met ons is het precies zo als wij te communie gaan. Dan zeggen wij eerst: 'Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt.' We vóelen ons niet onwaardig, maar we zíjn het. Dat wij het zo dikwijls bij gevoel houden of zelfs dat nog niet, dat het alleen maar bij woorden blijft, dat wij ons onwaardig bekennen maar het misschien niet eens voelen, is dat niet onze zonde?
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
Toen Jezus in Kafarnaüm aangekomen was,
kwam een honderdman naar Hem toe
die zijn hulp inriep met de woorden:
Heer, mijn knecht ligt verlamd in mijn huis
en lijdt vreselijk pijn.
Hij sprak tot hem:
Ik zal hem komen genezen.
Maar de honderdman antwoordde:
Heer, ik ben het niet waard dat Gij onder mijn dak komt;
maar een enkel woord van U is voldoende
om mijn knecht te doen genezen.
Want al ben ik zelf een ondergeschikte,
ik heb weer manschappen onder mij;
en tot de een zeg ik: ga, en hij gaat;
en tot een ander: kom, en hij komt;
en aan mijn knecht: doe dit, en hij doet het.
Toen Jezus dit hoorde, stond Hij verwonderd
en zei tot hen die Hem volgden:
Voorwaar, Ik zeg u:
Bij niemand in Israël heb Ik een zó groot geloof gevonden.
Ik zeg u,
dat velen uit het oosten en het westen zullen komen
en met Abraham en Isaäk en Jakob
zullen aanzitten in het Rijk der hemelen;
maar de kinderen van het Rijk
zullen buiten geworpen worden in de duisternis;
daar zal geween zijn en tandengeknars.
En tot de honderdman sprak Jezus:
Ga: zoals gij geloofd hebt, geschiede u.
En op datzelfde ogenblik werd de knecht gezond.
Toen Jezus in het huis van Petrus gekomen was,
vond Hij diens schoonmoeder met koorts te bed liggen.
Hij raakte haar hand aan en zij werd vrij van koorts;
zij stond op en bediende Hem.
Toen de avond gevallen was
bracht men veel bezetenen bij Hem;
Hij dreef door een woord de geesten uit,
en alle ziekten genas Hij, opdat in vervulling zou gaan
wat door de profeet Jesaja gezegd was:
Hij heeft onze zwakheden weggenomen
en onze ziekten heeft Hij gedragen.
Homilie
Eens verscheen de Heer bij de eik van Mamre aan Abraham, terwijl deze op het heetst van de dag bij de ingang van zijn tent zat. Zoals de eik van Mamre een heilige plaats is, zo is op het heetst van de dag," een heilige tijd; die zinderende middaghitte, doodse stilte alom, de lucht trilt, niets beweegt voor zover het oog reikt. "Abraham sloeg zijn ogen op en zag plotseling drie mannen voor zich staan." In het Oosten van toen, en nu ook nog wel, zijn gasten heilig. Ze worden omgeven door een heilig ritueel van gastvrijheid, want elke gast heeft iets van God, opdoemend uit het niets, uit het onbekende, en verdwijnend in het niets, terugvallend in het onbekende.
Dat gold ook voor Abraham. Gasten bij een zo heilige plek, "de eik van Mamre, en op een zo merkwaardig tijdstip op het heetst van de dag, in de zinderende middaghitte. Meteen liep hij van de ingang van zijn tent naar hen toe; hij boog diep en zei: Wees zo welwillend, heer, uw dienaar niet voorbij te gaan. Er is een geweldige afstand, een huiveringwekkende afstand in de omgang met dé Heilige in deze gasten. Maar opeens is die vreemdeling, die Verhevene, vlakbij, huiveringwekkend nabij, want heel persoonlijk vraagt hij: Waar is Sara, uw vrouw? Die vreemdeling kent haar dus, want hij noemt haar bij haar naam en zegt: uw vrouw. Hij kent ook de toekomst die Abraham zelf niet eens kende. Over een jaar kom Ik weer bij u terug; dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben." Hun diepste verlangen, hun geheimste wensen, die wens die eigenlijk al niet meer leefde, wordt vervuld door God. Zo vervult God het 'desiderium naturale', het 'natuurverlangen', het verlangen van de natuur in de mens.
Is dat ook niet de opzet van het religieuze leven? Een leegte scheppen waarin niets ongeordends zich beweegt, geen drukte, geen lawaai, niet van buiten en niet van binnen, heilige onverschilligheid, zodat áls er dan iets beweegt, je zeker weet: dat komt van God. God komt, dat vertrouwen moet je Hem geven. Hij komt echt! Niet vragen om een wonder, dat doet de heidense honderdman ook niet. Hij schildert alleen de toestand. Hij vraagt niet om genezing, want nog vóór het woord over uw lippen is, zegt Jezus, weet uw Vader wat u nodig hebt. Ik zal komen om hem te genezen. "Ik zal hem komen genezen." Maar de honderdman is een heiden en heidenen zijn voor de Joden onrein. Wie met een onreine omgaat wordt zelf ook onrein, cultisch onrein. We hebben daar een voorbeeld van in het evangelie. "De Joden brachten Jezus van het huis van Kájafas naar het pretorium van de heidenen. Zelf gingen zij het pretorium niet binnen want ze moesten het paasmaal kunnen eten en mochten zich daarom niet verontreinigen. Daarom kwam Pilatus naar buiten" (Joh 18,28.29). Als een Jood bij een heiden binnenging werd hij onrein, cultisch onrein, en mocht hij geen heilige handelingen stellen. Hij mocht niet met God omgaan, want God gaat niet om met de heidenen. Hij laat Zich alleen in met zijn eigen volk, zijn uitverkoren volk.
De honderdman weet van dit geloof van de Joden, hij respecteert dit, hij onderwerpt zich aan de verhoudingen zoals hij die nu eenmaal in het leven aantreft. Maar dát is nu juist wat Jezus is komen openbaren: Hij is er met zijn alle grenzen overschrijdende goedheid en genade niet alleen voor de Joden, maar voor alle volkeren, voor alle mensen. Juist de mensen die er helemaal geen recht op hebben, juist díe wil Hij zijn goedheid meedelen, zijn weldaden, zijn verlossing.
Er is maar één voorwaarde nodig om deel te krijgen aan Jezus' goedheid en genade, en dat is niet dat je tot een bepaald volk behoort en ook niet aan bepaalde morele kwaliteiten voldoet, of bepaalde deugden hebt, of gerechtigheid nastreeft, nee, er is maar één ding voor nodig en dat is: geloof. Dat je gelooft in de goedheid van God en dat je gelooft dat zijn genade niet aan willekeur onderhevig is. Dat Hij het in zijn macht heeft om te kunnen doen wat Hij wil. Precies zoals de honderdman. Hij weet ook wat macht is, want hij heeft zelf macht over anderen. "Ik heb manschappen onder mij; en tot de een zeg ik: ga, en hij gaat; en tot een ander: kom, en hij komt en aan mijn knecht: doe dit, en hij doet het." Nu echter weet hij zichzelf een ondergeschikte tegenover Jezus, als tegenover een superieur die de macht heeft om te bevelen en om die bevelen ook tot uitvoering te kunnen laten komen. Met een enkel woord, zo gelooft hij, kan Jezus gebieden. Alleen maar één woord, één enkel woord hoeft Hij maar te zeggen en dan gebeurt wat er in het Oude Verbond in de belofte ook al gebeurde. Voor God is niets te moeilijk! Geen ongelovig lachen bij wat God belooft, maar achter zijn machtige arm zijn goede hart zien. Je gelooft in de goedheid van God, in zijn liefde, en dat brengt mee, dat je gelooft in zijn macht.
Wij geloven in God die liefde is en die de macht heeft om wat Hij in zijn liefde heeft besloten ook tot uitvoering te brengen. Is dat niet wat wij in de eucharistie vieren? Liefde geeft daar de toon aan en Hij heeft de macht om te doen wat Hij in zijn liefde heeft besloten. Hij laat brood en wijn worden tot het Lichaam en Bloed van Christus, én een nog veel groter wonder: Hij verandert mensen die betrokken zijn op zichzelf tot mensen die betrokken zijn op de ander, op God en op de naasten.