Dinsdag in de twaalfde week
     van het oneven jaar
Eerste lezing: Gen 13,2.5-18  
Evangelie: Matteüs 7,6.12-14


Het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Geeft het heilige niet aan de honden.
En werpt uw paarlen niet voor de zwijnen,
opdat zij ze niet met hun poten vertrappen,
zich omkeren en u verscheuren.
Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen,
doe dat ook voor hen.
Dat is wet en profeten.
Gaat binnen door de nauwe poort,
want de weg die naar de ondergang voert
is wijd en breed
en velen zijn er die hem inslaan.
Hoe nauw toch is de poort
en hoe smal is de weg
die voert naar het leven.
En weinigen zijn er die hem vinden.”

Homilie  

“Gaat binnen door de nauwe poort … Hoe nauw toch is de poort."
Dat is voor ons beeldspraak en voor Jezus ook, maar aan die beeldspraak ligt een werkelijkheid ten grondslag, iets wat ze konden zien, wat ze hadden meegemaakt. Jeruzalem heeft namelijk zeven grote poorten en vijf kleine. Dat wil zeggen: grote poorten voor vrachtverkeer, kamelen, en kleine poorten voor personenverkeer of mensen te voet. In oorlogstijd werden die grote poorten klein gemaakt, nauw gemaakt, verengd, door er dikke planken en balken tegen aan te timmeren. Vanuit de verte hadden ze dan het aanzien van een oog van een naald, vandaar die uitdrukking: "Voor een kameel is gemakkelijker door het oog van een naald te gaan, dan voor een rijke in het koninkrijk Gods te komen” (Lc 18,25). En vandaar dan die uitdrukking van Jezus: “Gaat binnen door de nauwe poort …Hoe nauw toch is de poort." Op deze wijze werd de vijand met zijn kamelen de toegang tot Jeruzalem versperd. Ze konden er met hun zwaarbeladen kamelen niet in. Van de andere kant bleef het toch nodig dat de eigen kamelen proviand binnenbrachten en afval naar buiten, zo had je dan dat onvergetelijke tafereel dat die kamelen op hun knieën door die nauwe poort moesten worden gesjord en gesleurd, eerst alle lasten eraf, en dan zich klein maken om door die nauwe poort te kunnen worden geperst.

Wat is dat een mooi beeld voor de mens die geneigd is veel te willen hebben, groot te willen zijn, en zelfs als hij niet veel heeft, zich toch nog altijd heel wat te verbeelden, opgeblazen te zijn, dik te doen, zich groot te maken. Het zijn maar beelden voor wat er in de menselijke geest gebeurt. Jezus zegt: "Voor een rijke is het moeilijk het Rijk der hemelen binnen te gaan.” Nog sterker: “voor een kameel is het makkelijker door het oog van een naald te kruipen, dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen … Hoe nauw toch is de poort en hoe smal de weg … en weinigen zijn er die hem vinden.” Je moet dus blijkbaar klein worden, klein als het zaad, klein als het mosterdzaadje, het allerkleinste zaadje. Klein als een beetje zuurdeeg. Je moet klein zijn als een klein kind. “Jezus riep een klein kind, zette het in hun midden en zei: Voorwaar, Ik zeg u als ge niet opnieuw wordt als de kleine kinderen zult gij het Rijk der hemelen zeker niet binnengaan. Wie zichzelf gering acht zoals dit kind is de grootste in het Rijk der hemelen" (Mt 18,2-4).

Omdat God zo groot is, om Gods grootheid tot haar recht te laten komen, moeten wij klein worden, klein zijn. Want weet u waar de eigenlijke grootheid van God in bestaat? Die bestaat erin dat Hij Zich neerbuigt over de kleine mens. Waar de mens overheen ziet, waar de mensen zich te groot voor voelen, wat de mensen eenvoudig niet zien staan, dat ziet God. De grootheid van God is dat Hij oog heeft voor het kleine. Dat kun je alleen maar begrijpen als je zelf klein bent. Ben je dat niet, dan zul je het niet begrijpen, integendeel, dan zal er een verzet in je opkomen, een furieuze geest zal er over je komen, zoals er staat: "Geef het heilige niet aan de honden, werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij ze niet met hun poten vertrappen, zich omkeren en u verscheuren." Er kan iets verscheurends in de mens komen, hij zou een ander wel iets willen aandoen als hij in zijn grootheidsgevoelens wordt getroffen. 'Maar hoeveel vrede overstroomt de ziel als ze zich boven de natuurlijke gevoelens verheft. Nee, geen vreugde kan vergeleken worden met die welke de ware arme van geest smaakt', aldus de kleine Theresia. Dat is een zicht op de werkelijkheid van Theresia van het Kind Jezus, die doorgedrongen is in de rijkdom van het klein zijn.