Twaalfde zondag door het jaar,
                jaar C
Eerste lezing: Zacharias 12,10-11
Tweede lezing: Galaten 3,26-29
Evangelie: Lucas 9,18-24


Inleiding  

'De Heer is de kracht van zijn volk … Heer, redt uw volk en zegen uw erfdeel; wees hun voor altijd een leider en een gids.' Als leider en gids stuurt God ons: Jezus. Hij werd voorafgebeeld, zoals in de eerste lezing staat, als Iemand "die zij doorstoken hebben”; Iemand die ten dode toe zwak is geweest. Jezus zegt zelf: “De Mensenzoon moet veel lijden." Dat is geen krachtfiguur, maar Hij is een Persoon die leeft uit de kracht van God. Daardoor kan Hij veel lijden doorstaan, daardoor kan Hij veel dragen. Zo is Hij de kracht van zijn volk. Hij is de Persoon in wie wij allemaal zijn gedoopt, in wie wij zijn ondergedompeld. Paus Johannes Paulus II heeft dat eens zo gezegd: 'Het christendom is een Persoon, het is Iemand, en die Iemand is Jezus'.
Wij worden in Jezus opgenomen in het doopsel en in de heilige eucharistie. Het is goed om het doopsel nog eens te vieren, zodat we helemaal, als in Hem opgenomen mensen, zijn woord kunnen verstaan en zijn zelfgave kunnen ontvangen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Toen Jezus eens alleen aan het bidden was
en zijn leerlingen bij Hem kwamen,
stelde Hij hun de vraag:
“Wie zeggen de mensen dat Ik ben?”
Zij antwoordden:
“Johannes de Doper,
anderen zeggen: Elia,
weer anderen: een van de oude profeten is opgestaan.”
Hierop zei Hij tot hen:
“Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?”
Nu antwoordde Petrus:
“De Gezalfde van God.”
Maar Hij verbood hun nadrukkelijk dit aan iemand te zeggen.
“De Mensenzoon - zo sprak Hij -
moet veel lijden
en door de oudsten,
de hogepriesters en schriftgeleerden verworpen worden,
maar na ter dood te zijn gebracht
zal Hij op de derde dag verrijzen.”
Maar tot allen sprak Hij:
“Wie mijn volgeling wil zijn,
moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen
en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen.
Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.
Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil,
die zal het redden.”

Homilie  

“Toen Jezus eens alleen aan het bidden was",
en zijn leerlingen bij Hem kwamen, stelde Hij hun vragen in de trant van: Wat denken jullie eigenlijk van Mij? Hoe zien de mensen Mij? Hoe zien jullie Mij? Hoe zal het met Mij verder gaan? Hoe zal het met Mij aflopen? Op die vragen geeft Jezus tenslotte zelf het antwoord, want de antwoorden die Hij geeft, daar zouden ze nooit opgekomen zijn. Met de beste wil van de wereld hadden ze die niet kunnen verzinnen. "De Mensenzoon, - zo sprak Hij - moet veel lijden.” Zo is het ook met zijn gedachten over het levensontwerp van de volgelingen: “Wie Mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en door elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen."
Het antwoord op de vragen van ons leven en van ons levensontwerp begint bij het 'alleen bidden'. "Toen Jezus eens alleen aan het bidden was." Dat is eigenlijk iets heel geruststellends! Hoe het met zijn leven, met ons leven moet zijn, wordt gezegd door Iemand vanuit een situatie waar ze gewoon konden zien, hoe Hij Zich van ganser harte heeft toevertrouwd aan God, Zich aan Hem heeft overgegeven.

In die eerste lezing ziet u datzelfde ook nog eens van een andere kant. Er is iemand gestorven, om hem treurde het huis van David en heel de stad Jeruzalem. En dan staat er: "In die dagen zal Ik over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem een geest van welwillendheid en van gebed uitstorten." Wie die gestorvene precies is, weten we niet, het moet gaan om een koning of een profeet, in ieder geval een herder van het volk, zoals er elders staat, een martelaarsgestalte, iemand die ze doorstoken hebben. "Ze zullen opzien naar hem die ze doorstoken hebben." Zijn dood was voor het volk een catastrofe, maar ook het begin van een diep berouw en van een door God bewerkte ommekeer. Zo ongeveer als de dood van de dienaar van Jahwe, beschreven door Jesaja in het 53e hoofdstuk. Opdat, volgens het evangelie van sint Jan, na de doorsteking van Jezus' zijde, van Jezus' Hart, vervuld zou worden wat door de profeet werd gezegd: "Zij zullen opzien naar Hem die zij hebben doorstoken" (Joh 19,37).

In het gebed wordt de catastrofe verwerkt tot een houding van rouwmoedigheid, van inkeer en ommekeer. Zoals ook de mensen die getuige waren van Jezus' sterven zich op de borst klopten. De menselijke verwachtingen kunnen worden opgevangen in het gebed, en beleefd worden door het gebed als een verlossing, als een weldadige bevrijding uit knellende banden en boeien waarin men was vastgeraakt in de wereld met zijn valse perspectieven. Een wereld die dood loopt.
Jezus wordt door de Kerk gevierd als Verlosser, Bevrijder, maar om het bevrijdende van zijn levensweg te zien, daar is een proces voor nodig. Het gaat van etappe naar etappe, het gaat moeizaam, het gaat met tasten en zoeken. Eerst stelt Jezus de vraag: "Wie zeggen de mensen dat Ik ben? Zij antwoorden: Johannes de Doper, anderen zeggen Elia, weer anderen: een van de oude profeten is opgestaan." De mensen zijn dus verdeeld, de een zegt zus, de ander zegt zo. Maar ergens zijn ze ook één, ze zijn eenstemmig in: Jezus is een profeet, een van de weinigen of een van de velen, maar Hij is er een. En daarom kun je altijd om Hem heen; je hoeft niet in Hem te geloven, je kunt ook wachten tot er een ander komt. Geloven moet je alleen in de Enige: de Gezondene van de Vader.

Daarom stelt Jezus een tweede vraag aan zijn leerlingen: "Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?" Hij verwacht kennelijk, door die vraag zo te stellen, dat zijn leerlingen een ander, een beter antwoord geven dan de mensen. Waarom eigenlijk? Zijn die leerlingen betere mensen? Hebben zij een betere kijk op het leven? Of hebben ze een betere opvoeding gehad, betere manieren geleerd of wat dan ook? Nee, Hij verwacht van zijn leerlingen een beter antwoord, omdat zij met Hem zijn omgegaan.
Want hoe wordt iemand anders? Dat kan door een goede opvoeding, of doordat hij zijn best doet, of door te studeren, door zich ergens in te oefenen. Maar dé manier om beter te worden, anders te worden, dat is door om te gaan met iemand die zélf anders is. Door zijn leven te delen. Anders word je pas, door het leven te delen van iemand die anders is. En Jezus ís anders! Zo kan Hij de wereld veranderen; zo kan Hij de mensen veranderen; zo kan Hij u veranderen.

Dat veranderen is al begonnen bij ons Doopsel. In dat Doopsel bent u met Christus verenigd. U bent één persoon geworden in Christus Jezus. Wij zijn door het sacrament van het Doopsel al anders geworden in het diepst van onze ziel. Wij zijn kinderen van God geworden door dezelfde heilige Geest. In de eucharistie wordt die transformatie doorgezet. Mijn leven verloopt in steeds weer verschillende omstandigheden en in die verschillende omstandigheden moeten wij worden getransformeerd in de nieuwe Mens, in Jezus.

Midden in de wereld staat de Kerk als anders. De Kerk tekent zich anders af tegenover de wereld, heeft andere denkbeelden, andere gevoelens, andere waarden. Dat beginnen wij in onze dagen steeds meer te zien. Je kunt het met de handen tasten. God is anders, Jezus is anders, de Kerk is anders. Dat is niet omdat de mensen van de Kerk op zich anders zijn, maar omdat Jezus anders is en door in de sacramenten met Hem om te gaan, worden de mensen van de Kerk zelf ook anders. Je haalt ze er tegenwoordig zo uit. De leerlingen in de klas die gelovig zijn, zijn gewoon anders. Zij zijn niet zo in de greep van die idolen en de idealen van de wereld, de nieuwe sterren of de nieuwe kleding, de nieuwe trends, de nieuwe mode, daar lopen ze niet zo achteraan. Ze zijn rustiger, zijn ook veel gelatener bij tegenvallers en tegenslagen, ze nemen dat rustiger op. Ze hebben een andere houding tegenover het lijden.

Dat is meteen de derde stap van de Openbaring. "Petrus antwoordt: Gij zijt de Gezalfde van God. Maar Hij verbood hun nadrukkelijk dit aan iemand te zeggen." Er staat eigenlijk een ander woord voor: een duivelbezwering. Hij voer tegen hen uit, Hij bezwoer hun als een boze kracht. In de leerlingen en in de mensen zit dus een boze kracht, en dat is de kracht van: wij zijn groot, wij zijn sterk, we gaan er tegenaan, we gaan overwinnen, een politieke Messias, een militaire kracht. Maar dat is niet de kracht van onze Heer die wij in de Introïtus hebben bezongen: 'De Heer is de kracht van zijn volk'. Dat was een kracht om te kunnen lijden, een kracht om te kunnen dragen, een kracht om te kunnen dulden. Hij bezwoer hun dus om deze geest van menselijke kracht, van menselijk krachtsvertoon te laten, zodat de baan vrij werd gemaakt voor de nieuwe Mens. "De Mensenzoon moet veel lijden en verworpen worden."

Zo staat Hij hier in ons midden, en Hij zegt ook tot ons, dat iedereen "die mijn volgeling wil zijn, Mij moet volgen door zichzelf te verloochenen en iedere dag zijn kruis op te nemen." Dat betekent: de gewone verwachtingen van de wereld doorkruisen en in een nieuwe manier van leven zachtmoedig en nederig opgaan naar het hemels vaderhuis.