Dinsdag in de dertiende week
       van het even jaar
Eerste lezing: Amos 3,1-8; 4.11-12 [III 147];
Evangelie: Matteüs 8,23-27 [III 148]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Toen Jezus in de boot stapte, volgden zijn leerlingen Hem.
Opeens raakte de zee in hevige beroering,
zodat de golven over de boot sloegen;
Hij echter lag te slapen.
Ze gingen naar Hem toe
en maakten Hem wakker met de woorden:
“Heer, red ons, wij vergaan!”
Hij sprak tot hen:
“Waarom zijt gij bang, kleingelovigen?”
Dan stond Hij op,
richtte Zich met een dwingend woord tot de winden en de zee,
en het water werd volmaakt stil.
De mensen stonden verbaasd en zeiden:
“Wat voor iemand is dat toch,
dat zelfs de winden en de zee Hem gehoorzamen?”

Homilie  

Amos, de profeet uit de eerste lezing, is geen gezellige man. Hij is niet iemand die mensen naar de mond praat, hij vleit niet. Ook "de zonen van Israël, heel het geslacht," praat hij niet naar de mond, ziet hij niet naar de ogen. Nee, hij gaat er dwars tegenin. Hij zegt dingen die taboe zijn, die hij niet mag zeggen. Want als God je heeft uitverkoren, roept Hij je tot heiligheid. "U alleen heb Ik uitverkoren onder al de geslachten der aarde; daarom roep Ik u ook ter verantwoording voor al uw ongerechtigheden." Dezelfde God die Israël heeft uitverkoren, heeft ook Amos tot profeet gemaakt.

Rampen hebben het volk van Israël getroffen de laatste jaren, onder andere een aardbeving. Dat is niet toevallig gebeurd, want, zegt Amos: "Gebeurt er ooit in een stad een ramp zonder dat de Heer daar de hand in heeft?" Hij bedoelt hiermee te zeggen: Pas maar op! De laatste ontmoeting met de God van Israël staat nu te gebeuren. Wees erop voorbereid! "Gij, Israël, moet u gereed maken om voor uw God te verschijnen." Dit is geen belofte, maar een waarschuwing.

Jezus is ook profeet, maar "geen profeet wordt aanvaard in zijn eigen vaderstad en in zijn eigen kring (Mt 13,57; vgl. Mc 6,4), Amos ook niet. Hij werd eruit gegooid. “Maak dat u wegkomt! Verdwijn naar Juda en verdien daar uw brood maar met profeteren. Hier in Betel mag u niet meer profeteren" (Am 7,12 en 13). Ga maar in het zuiden profeteren, maar niet bij ons.

Ook Jezus zegt en doet dingen die indruisen tegen het gewone gezonde mensenverstand. "Wat voor iemand is dat toch, dat zelfs de winden en de zee Hem gehoorzamen?" Wie is Jezus toch, dat Hij het te zeggen heeft over de storm en de zee?

Eens heeft Jezus het antwoord gegeven op deze vraag: "Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde" (Mt 28,18). Jezus heeft macht over mensen en dingen, over natuur en uur. Jezus regelt regen en zonneschijn, weer en wind zijn Hem gehoorzaam, zoals de mensen het uitdrukken: "…, dat zelfs de winden en de zee Hem gehoorzamen." Weer en wind nodigen ons uit om net zoals zij volgzaam te zijn aan Jezus' woord, aan Jezus' macht. Hij gedroeg Zich als meester van zijn leerlingen, Hij ging als eerste de boot in, en de leerlingen volgden Hem, maar Hij gedroeg Zich óók als meester van de elementen. Want toen er een hevige storm opstak en de golven over de boot sloegen, sliep Hij en bleef Hij slapen. Hij is onder alle omstandigheden superieur.
Het slapen is een profetisch handelen, en daarbij past een profetisch woord: "Waarom zijt gij bang, kleingelovigen?" Waarom moeten we niet bang zijn? En hoe kan Hij slapen? Hoe is dat te begrijpen? We weten eigenlijk niet wat ons meer doet verbazen in Jezus, dat Hij de macht heeft de winden en de zee te bevelen, zodat ze Hem gehoorzamen, of dat Hij innerlijk zo ontheven is aan de machten van storm en zee in hun hevige beroering, dat Hij kan liggen slapen, ja, dat Hij zelfs niet schijnt te kunnen begrijpen waarom zijn leerlingen wél bang zijn. "Waarom zijt ge bang?"

Jezus geeft de reden: kleingelovigen. Ze zijn bang omdat ze kleingelovig zijn, omdat hun geloof maar klein is. Maar wat had Jezus dan verwacht? Blijkbaar verwachtte Hij, hoopte Hij van zijn leerlingen dat zij Hem niet zouden wekken, maar dat zij zouden vertrouwen op zijn aanwezigheid en in de storm in dat vertrouwen zouden volharden. Dan had Hij hen kunnen prijzen om hun groot geloof, in plaats van hun verwijten te maken over hun klein geloof. Jezus komt hun klein geloof tegemoet door middel van een wonder. Wonderen zijn voor de kleingelovigen.

Ook in ons leven, in onze stormen, is Jezus aanwezig, is Jezus bij ons. Hij zal ons niet boven onze krachten beproeven, niet boven onze geloofskracht beproeven, boven de kracht van ons geloof. Hij zal de stormen voor ons tot bedaren brengen, zo lang ons geloof nog klein is. Maar met de groei van ons geloof zal ook ons vertrouwen op zijn tegenwoordigheid groeien, onze speurzin, onze gevoeligheid dat Hij er werkelijk is, en dan zullen wij Hem níet wekken. Dan zal er geen behoefte zijn om wonderen te vragen om de storm te laten bedaren, vol vertrouwen als we zijn dat de Heer over ons waakt. We zullen de stormen trotseren omdat de Koning van de storm in ons midden rust. Dan zullen we niet meer zo uitzien naar de grote kalmte buiten ons, omdat er zo'n grote kalmte is in ons: Jezus, de Heer, Koning van ons hart. Daar heeft Hij alle stormen tot bedaren gebracht. Laat het buiten maar waaien, binnen is er kalmte in Hem.