Vrijdag in de dertiende week
      van het even jaar
Eerste lezing: Amos 8,4-6.9-12;
Evangelie: Matteüs 9,9-13


Inleiding  
 

Gods goedheid, Gods mededeelzaamheid tot het einde toe, is niet alleen voor de mensen zo maar in het algemeen, maar specifiek voor de zondige mensen. Hij heeft hun zonden tot het einde toe gedragen, verdragen, én vergeven. Een liefde tot het uiterste toe volbracht, tot voltooiing gebracht. Dat is wat wij ons aan het begin van de eucharistieviering, telkens opnieuw, als was het voor de eerste keer, te binnen mogen brengen: onze zonden, waarvoor Hij is gestorven.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd toen Jezus verder ging,
Zag Hij iemand aan het tolhuis zitten die Matteüs heette,
en Hij zei tot hem:
“Volg Mij.”
De man stond op en volgde Hem.
Terwijl Hij nu in diens woning aan tafel aanlag,
kwamen ook vele tollenaars en zondaars
met Jezus en zijn leerlingen aanliggen.
Toen de Farizeeën dat zagen, zeiden ze tot zijn leerlingen:
“Waarom eet uw Meester met tollenaars en zondaars?”
Jezus hoorde dit en zei:
“Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken.
Gaat heen en leert wat het zeggen wil:
Ik wil liever barmhartigheid dan offers.
Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen,
maar zondaars.

Homilie      

Waar staan wij ook al weer in dit evangelie van Matteüs dat zo-even werd voorgelezen? We hebben eerst de Bergrede gehad. Dat omvatte drie hoofdstukken. Dan daalt Jezus de berg af, waar Hij in de vlakte Gods Woord heeft laten klinken, Gods Woord te werk heeft gesteld; Hij heeft er een werkwoord van gemaakt, de werkzaamheid van het Woord geopenbaard. Dat Woord is goddelijk, maar goddelijk is ook zijn optreden. Als eerste vindt de ontmoeting plaats met de melaatse. Een onrein iemand die iedereen onrein maakt, maar Jezus niet; de man wordt rein gemaakt door Hem, de Reine, de Heilige. Meteen daarop volgt de omgang met een heiden, de honderdman, die opkomt voor zijn verlamde knecht. Heidenen dienen vermeden te worden, ook de omgang met hén maakt iemand onrein, cultisch onrein, zoals het betreden van het paleis van Pilatus (ook een heiden) de Joden onrein maakte, zodat zij het paasfeest niet mochten vieren. Dan volgt Jezus' optreden in de boot, in de storm, bij de leerlingen die tekeer gaan omdat de boot al vol liep, en waarbij hun stormachtige gevoelens over Hem heen kwamen: "Heer, red ons, wij vergaan" (Mt 8,25). Kan het U dan niet schelen dat wij vergaan? Maar er gebeurt niets. De stormachtige gevoelens van zijn leerlingen, hun protest, hun wantrouwen, doen Hem niets. Zelfs de dood doet Hem niets. Het raakt Hem allemaal niet. Hij staat er boven, maar niet erbuiten.

Dat wordt vandaag in dit evangelie duidelijk. Hier kiest Hij de omgang met de meest gehate zondaars, de tollenaars, en uit die groep kiest Hij er ook nog eens één als zijn leerling. Vervolgens gaat Hij met de soortgenoten van die gehate tollenaar aanliggen. Maar wat het volk en de leiders van het volk dachten, gebeurt niet. Niet Hij wordt onrein, maar de onreinen, die zij maar ook wij zijn, worden rein. "Gij zijt al rein dank zij het woord dat Ik tot u gesproken heb" (Joh 15,3).

De goedheid van God, de goedheid van Jezus, is een wervende, een winnende goedheid. Dat is geen stijve, afstandelijke goedheid, in zichzelf besloten door zich op afstand te houden. Dat deden de Farizeeën, ze heetten er zelfs naar. Farizeeën betekent eigenlijk afgezonderden. Ze hielden zich op afstand. Door boven de anderen te gaan staan, door zichzelf buiten de groep te plaatsen, lijken de schijnheiligen heilig. Maar komt Jezus dichterbij, dichter bij de zondaar, bij de minder volmaakte, dan blijkt de schijnheilige helemaal niet zo volmaakt te zijn, niet echt heilig.
God is geen gesloten volmaaktheid in Zichzelf, statisch, zelfgenoegzaam. Zijn goedheid is een mededeelzame goedheid van de Vader aan de Zoon en van de Zoon aan de Vader en zo van de Vader en Zoon samen aan de mensen. God is de God van Abraham, Isaak en Jakob. Hij komt uit zijn geslotenheid naar de mensen toe. Hij komt te voorschijn, Hij deelt Zich mee en dat wordt tenslotte ook zijn naam: Jahweh, dat betekent: "Ik ben die is" (Ex 3,14), Ik ben er voor u. Heel mijn leven is een er 'zijn-voor-u'. Ik ben niet opgesloten in Mijzelf.

Maar om Zich helemaal te kunnen geven, heeft God een Lichaam aangenomen. Een lichaam is een brug naar de ander toe. Gods Lichaam is de brug naar ons toe, daarmee is Hij benaderbaar voor de mensen en op hun beurt zijn de mensen ook benaderbaar voor Hem. "Dit is mijn Lichaam voor u" (Lc 22,19). Dat is wat Jezus wil zeggen, Hij geeft niet alleen zijn lichaam, maar Hij spreekt er ook een woord bij: dit is mijn Lichaam voor ú. Ook zegt Hij: "Ik wil liever barmhartigheid dan offers." Gevende goedheid aan de mensen. Maar barmhartigheid wil zeggen: gevende goedheid aan zondige mensen. En hoever is dat gegaan? Een woord uit de eerste lezing kan ons doen inzien hoever dat is gegaan.

"Op die dag”, staat er in de eerste lezing van de profeet Amos, “doe Ik de zon ondergaan op het middaguur, verduister Ik de aarde op klaarlichte dag.” Waar moet de christen aan denken als hij dit hoort? Moet hij dan niet denken aan Goede Vrijdag? “Vanaf het zesde uur viel er duisternis over het hele land, tot aan het negende uur toe” (Mt 27,45; vgl. Mc 15,33; Lc 23,44). Was dat niet het uur van Goede Vrijdag? “Ik zal het land doen rouwen als over een enig kind." Zo ernstig neemt God de zonde dat Hij het offer brengt van zijn eigen leven. Maar even ernstig neemt Hij ook zijn barmhartigheid. Zijn levensoffer is een offer uit liefde voor ons. Mededeelzaam, een oase van barmhartigheid in de woestijn van het recht, van het menselijke recht. Wij leven van zijn offer, wij leven van zijn liefde. De ellende van onze zonden raakt Jezus' Hart. Die ellende opent Jezus' Hart. Hij neemt die ellende erin op. Goede Vrijdag, de dag waarop de zon ondergaat op het middaguur, is de dag van zijn heilig Hart.

Als wij nu met de eucharistie verdergaan, dan horen wij die woorden en zien wij die handelingen, en wij laten die handelingen dan ook aan ons verrichten. Maar we kunnen ze pas goed in ons opnemen, wanneer wij ons bewust maken waar ze vandaan komen, uit welke bron die woorden en handelingen ontspringen. Zij ontspringen uit zijn goddelijk Hart, vol barmhartigheid, vol mededeelzaamheid voor zondige mensen.