Zaterdag in de dertiende week
        van het even jaar
                                   Feest van de heilige Thomas, apostel
                                                      (eigen lezingen)


Eerste lezing: Efeziërs 2,19-22
Evangelie: Johannes 20,24-29


Inleiding  
 

De apostel Thomas, van wie wij vandaag de gedachtenis vieren, missioneerde zoals alle apostelen. Er zijn christenen in India die zeggen hun geloof gekregen te hebben uit de verkondiging door Thomas en sindsdien zijn ze er trouw aan gebleven, 'Thomas-christenen', noemen zij zich. Eigenlijk zijn wij allemaal 'Thomas-christenen', want wij hebben ons, evenals zij, bekeerd van ongeloof tot geloof. Op de tekenen die God hen en ons gaf en geeft en blijft geven, bekeren wij ons tot geloof.
Belijden wij dan eerst ons ongeloof. Dat is dé zonde achter elke zonde: niet geloven in de liefde van God, die belichaamd werd in het allerheiligst Hart van onze Heer Jezus.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes


Thomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd,
was echter niet bij hen, toen Jezus kwam.
De andere leerlingen vertelden hem:
“Wij hebben de Heer gezien.”
Maar hij antwoordde:
“Als ik niet in zijn handen het teken van de nagelen zie
en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken
en mijn hand in zijn zijde leggen,
zal ik het niet geloven.”
Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen,
en nu was Thomas er bij.
Hoewel de deuren gesloten waren kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei:
“Vrede zij u.”
Vervolgens zei Hij tot Thomas:
“Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen.
Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde,
en wees niet langer ongelovig maar gelovig.”
Toen riep Thomas uit:
“Mijn Heer en mijn God!”
Toen zei Jezus tot hem:
“Omdat ge Mij gezien hebt, gelooft ge?
Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.”

Homilie      

Thomas was niet bij de andere leerlingen toen Jezus bij hen binnenkwam. Gelukkig maar, anders zouden wij nooit van zijn geloofsgetuigenis gehoord hebben. "Mijn Heer en mijn God!" Een getuigenis als geen ander! En we zouden ook niet Thomas' geloofsgroei meegemaakt hebben, zijn geloofsgroei van: ik geloof niet, naar: "Mijn Heer en mijn God!"

Omdat Thomas er niet bij was toen Jezus verscheen, moest hij het van anderen horen; om zo te zeggen: horen uit de tweede hand. Zo gaat dat in het leven. Meestal horen wij het van anderen. Het geloof is uit het gehoor, uit wat je van anderen hoort. Anderen brengen ons naar Jezus, zoals we dat in het evangelie ook steeds gezien hebben. Ook binnen de huiskerk van het gezin gaat het geloof over van de ene generatie op de andere. We zijn dus op anderen aangewezen wat ons geloof betreft, en anderen zijn weer op óns aangewezen wat hun geloof betreft. Altijd en overal. Want geloof is niet iets van een bepaalde sector, een afgesloten sector van je leven, maar het is iets van héél je wezen, van héél je persoon, het omvat héél je leven. Daarom kunnen we ook altijd in alles van ons geloof getuigen. In alles wat we doen, in alles wat we zeggen, ja, in wat we zijn en in hoe we zijn.

Geloven geeft een pluskwaliteit aan het leven. Door ons geloof zien wij er iets meer in. Voor anderen houdt het op, voor ons gaat het leven verder. Voor ons is er zelfs leven ná de dood. Daarom hebben wij eerbied voor het leven, een grenzeloze eerbied. Daarom hebben wij respect voor de goede naam van een ander, en zijn wij barmhartig voor anderen. We achten onszelf daarom niet hoger dan de ander, nee, we staan onder de ander, want we weten dat we niet God zijn. Maar ook die ander is God niet, en daarom behouden wij in onze nederigheid en afhankelijkheid een zekere fierheid. Voor ons zijn er ook geen hopeloze zaken. Geloven in de liefde van God doet ons altijd weer hoop koesteren.

Maar we zijn ook niet helemaal op het getuigenis van anderen aangewezen. Ieder heeft ook een eigen persoonlijke verhouding met God, met Jezus. Ik las eens het resultaat van een onderzoek dat werd gehouden door een hoogleraar in de psychologie, niet zo maar onder mensen van de maatschappij, maar onder mensen van de Kerk, onder religieuzen. Hij vatte de resultaten van zijn onderzoek samen in het volgende statement: 'Twintig procent van de religieuzen die hij had onderzocht, handelt volgens religieuze waarden die zij zich eigen gemaakt hebben. Zestig procent van die groep kijkt hoe anderen het doen en doen dat ook na, en twintig procent let niet op wat anderen doen, maar handelt naar eigen geloof, eigen geloofsovertuiging.' Dat betekent dat tachtig procent van de religieuzen in het dagelijks leven het oog gericht houdt op iemand anders dan Jezus. Waarom is dat? Geeft Jezus Zich dan niet aan hen te zien? Is er dan van Jezus uit niet een persoonlijke verhouding met die mensen? Ziet Hij ze dan als een nummer?

Moeten wij niet eerder denken: Jezus geeft Zich aan elke mens persoonlijk, anders is er geen sprake van liefde. Liefde is altijd persoonlijk. Zou het dan niet zo kunnen zijn, dat mensen van hún kant niet altijd in een persoonlijke verhouding leven met Jezus? Dat die in het geestelijk leven gewoon niet verder komen dan te kijken naar wat anderen doen? Wat die professor constateert: dat ze de gewoontes van de groep overnemen, zich houden aan de gewoontes van de gemeenschap.

Hebben we dat eigenlijk ook niet gezien in ons eigen katholieke volksdeel, in de katholieke gemeenschappen van rijke landen? In hun besloten gemeenschappen waren de Nederlandse katholieken - maar dat geldt eveneens voor katholieken van vele andere landen - zorgvuldig beschermd tegen invloeden van buitenaf. Ze hoefden niet tot een persoonlijke levensovertuiging te komen. En zo bleven ze in zekere zin kasplantjes. En toen de deuren van de kas opengingen en de buitenlucht binnenstroomde, allerlei verschillende invloeden van buitenaf naar binnen kwamen, stroomden de katholieken in dezelfde massaliteit waarin ze de Kerk ingegaan waren, de Kerk uit.

Bij het geloof zit uiteraard van meet af aan iets van inoefenen van handelingen die je van anderen afkijkt, woorden, rituelen, afspraken, maar wil het echt geloof zijn, wil je echt gelovig leven, dan hoort daar een goddelijk waarmerk bij, een goddelijke kracht, waardoor mensen onafhankelijk worden gemaakt van wat anderen zeggen. Dat het geloof behouden blijft, beleden wordt en verdiept, zelfs als er helemaal niemand meer in je eigen omgeving is die gelooft.
Dat is wat we van Thomas mogen beleven. Hij kreeg een heel persoonlijke ontmoeting met de Heer. Hetgeen de anderen hadden meegemaakt, was nog altijd iets gemeenschappelijks, iets gezamenlijks. Echter wat Thomas meemaakte, dat was iets unieks, iets eenmaligs, even uniek en eenmalig als de persoon uniek en eenmalig is en als het geloof uniek en eenmalig is. Het is jóuw overtuiging, je kunt niet anders, het komt van binnenuit. Zoals Thomas dat dan ook niet alleen zei, maar uit volle borst uitriep, uit de volheid van de heilige Geest. Dat gaf die stem zo'n kracht, het waarmerk van de heilige Geest, door wat Jezus tot Thomas zei en tot Thomas alleen.

Dit gesprek tussen Thomas en Jezus staat aan het eind van het evangelie van sint Jan, zoals overigens in het evangelie van sint Jan heel veel persoonlijke ontmoetingen en gesprekken zijn. Laten we nagaan: een gesprek met Nicodemus, met de Samaritaanse vrouw, met de honderdman, met de lamme, met de blindgeborene, met Lazarus, Martha en Maria. Maar ook na zijn opstanding had Jezus nog persoonlijke ontmoetingen: met die ene leerling die Hij lief had: "Hij zag en geloofde" (Joh 20,8), met Maria Magdalena. En het einde van het evangelie van sint Jan is een persoonlijke ontmoeting tussen Jezus en Thomas. Dat is dus christen zijn! Gegrepen worden door Jezus die jou ziet, die jou aanziet en zijn Hart geeft, zijn Lichaam, zijn Bloed, zijn liefde.