Maandag in de dertiende week
     van het oneven jaar
                                          Hoogfeest van de heilige
                                                 Petrus en Paulus



Eerste lezing: Handelingen 12,1-11  
Tweede lezing: 2 Timoteüs 4,6-8.17.18
Evangelie: Matteüs 16,13-19


Inleiding  

Vandaag vieren we het Hoogfeest van Petrus en Paulus, feest van geloofsgetuigenis en wel door het getuigenis van hun bloed. Zij zijn bloedgetuigen. Een getuigenis krijgt de hoogste geloofwaardigheid door het getuigenis van het bloed. Een getuigenis van het geloof, niet alleen met de mond, door het met de tong te belijden, met het verstand, of met werken van barmhartigheid, maar door het leven te geven. Door je leven op het spel te zetten. Dat verwoordde Petrus al, toen hij, om zijn trouw aan Jezus te openbaren, zei: "Mijn leven zal ik voor U geven" (Joh 13,37). Maar op dat ogenblik was er nog een kloof tussen woord en daad.
Ook bij ons is er een kloof tussen wat wij ons voornemen en wat wij ervan terecht brengen. Die kloof, die er bij iedere mens is, wordt van Godswege gedicht, doordat Jezus een teken gaf van zijn liefde tot het uiterste toe, tot de dood toe. Dan weet je pas zeker: Hij heeft ons echt lief. Er is geen omstandigheid, geen druk waarvoor Hij bezwijkt om zijn liefde voor ons minder groot te laten zijn.
Dat wij ons door die liefde, door zijn liefde tot het uiterste toe, niet hebben laten sterken, terwijl wij daar zoveel gelegenheid voor hadden, dat is eigenlijk onze zonde.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd,
toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus gekomen was,
stelde Hij zijn leerlingen deze vraag:
“Wie is volgens de opvatting van de mensen,
de Mensenzoon?”
Zij antwoordden:
“Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia,
weer anderen Jeremia of een van de profeten.”
“Maar gij - sprak Hij tot hen - wie zegt gij dat Ik ben?”    
Simon Petrus antwoordde:
“Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.”
Jezus hernam:
“Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona,
want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard,
maar mijn Vader die in de hemel is.
Op mijn beurt zeg Ik u:
Gij zijt Petrus,
en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen
en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.
Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen
en wat gij zult binden op aarde,
zal ook in de hemel gebonden zijn
en wat gij zult ontbinden op aarde
zal ook in de hemel ontbonden zijn.”

Homilie
 

Eerst was het Petrus' beurt om namens anderen te zeggen wie Jezus was en dan is het Jezus' beurt om te zeggen wie Petrus is. "Gij zijt Petrus." Dit is de vertaling vanuit de oorspronkelijke taal waarin Jezus sprak. Daarin zal Hij gezegd hebben: 'Gij zijt Kefas', dat is kei of rots, 'en op deze rots, op deze Kefas, op deze Petrus, zal Ik mijn Kerk bouwen.'

Hoe wordt Christus' Kerk opgebouwd? Daarvan geeft de eerste lezing ons een voorbeeld. Het is een spannend verhaal vol wisseling van belevingsmomenten, je houdt je hart vast. Er wordt vurig voor Petrus gebeden terwijl hij in de gevangenis zat en dan plotseling, volkomen onverwacht, komt er een ingrijpen. Tot op het laatste moment wist Petrus niet of hij droomde of wakker was, maar de grote lijn daarvan is: van lijden naar verblijden, van dood naar verrijzenis. Hij wordt ternauwernood gered, is werkelijk door het oog van de naald gekropen, en niet door menselijke vindingrijkheid, maar omdat de Heer hem terzijde heeft gestaan. Zoals we begonnen met de inleidingzang: 'Nu weet ik zeker dat de Heer zijn engel heeft gezonden en mij heeft ontrukt aan de macht van Herodes en aan alles wat het volk der Joden verwachtte.'

Bij Paulus ging het op dezelfde manier. Aan het eind van zijn leven kijkt hij nog eens terug. "Wat mij betreft, mijn bloed wordt weldra geplengd, het uur van mijn heengaan is nabij” (2Tim 4,6). “De Heer heeft mij verlost uit de muil van de leeuw. Hij zal mij blijven beschermen tegen alle boze aanslagen en mij behouden overbrengen naar zijn hemels Koninkrijk" (2Tim 4,17,18). Lijden en bevrijden. Sterven en verrijzen. Dat zijn de bouwstenen waarmee de christelijke Kerk is opgebouwd. Dat zijn ook de bouwstenen van ons christelijk leven.

Bij Petrus en Paulus en bij alle heiligen komt dat meer dan levensgroot tot uiting. Ze worden dan ook dikwijls zo groot afgebeeld. Voor de Sint Pieter staan hun meer dan levensgrote beelden. Als je er naast gaat staan, voel je je heel klein, maar je voelt dan tevens hoe zij zich gevoeld moeten hebben bij Jezus. Én je voelt dan ook hoe Jezus Zich gevoeld heeft bij de Vader: altijd klein, hulpeloos, afhankelijk, gehoorzaam en vol vertrouwen. Ik kán en wíl Mijzelf niet redden, dan moet de Vader het wel doen. Hij, de Vader, zal mijn vertrouwen niet beschamen. Hij is toch mijn Vader. "Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest" (Lc 23,46; naar Ps 31,9). Dat is Jezus' laatste woord, en in dat ene woord drukt Hij zijn hele levenshouding uit. Zo kunnen wij alles wat ons overkomt invoegen in het leven van deze twee bloedgetuigen van vandaag en in het leven van Jezus.

"In die dagen legde koning Herodes de hand op enige leden van de Kerk om hen te mishandelen: Jakobus, de broer van Johannes, liet hij met het zwaard ter dood brengen" (Hnd 12,1,2). Hij liet hem dus vermoorden. Dat laatste gebeurt aan ons nog wel niet, maar de moeilijkheden van het begin zijn er nog steeds. Wat heeft de Kerk op het ogenblik niet te lijden en wat overkomt ons niet allemaal? Het zijn wel geen grootse dingen die in de krant komen, soms zijn het maar heel kleine dingen, die ons toch het gevoel geven alles te moeten loslaten. Sommige kleine dingen kunnen inderdaad op een bepaald moment alles voor ons betekenen, kunnen ons de symboolwaarde geven van het alles. We zijn dus nog steeds de goede Kerk, de Kerk van Jezus. Maar als zoiets je overkomt, als je het gevoel hebt dat je alles moet geven, let dan niet zo op je eigen verdriet, op je eigen gevoel, maar zie het lijden van de heiligen glanzen. Zie de glans van de aureool rond het hoofd van de heiligen, rond hun gestalte. Die aureool van licht, van hemels, goddelijk licht. De apostelen zelf waren dankbaar als ze voor Jezus mochten lijden. "Ze waren verheugd dat ze waardig bevonden waren smaad te lijden omwille van de Naam" (Hnd 5,41). Het kan verdrietig zijn, maar met de dood van het leven mag er eveneens dankbaarheid zijn. Zie het in het licht van de apostelen, en kijk van hen naar Jezus, om wie het eigenlijk gaat. Het gaat om Hem, om het ritme van zijn leven. Sterven en leven, verrijzen na sterven.

Dat is niet alleen maar een voorbeeld, maar het is een gebeuren waarin wij ons in iedere eucharistie mogen invoegen. Ook nu mogen wij dat aan ons laten gebeuren. Terwijl het aan Jezus gebeurt, het geactualiseerde sterven aan het kruis, gebeurt het nu ook aan ons, als wij ons daarin bewust invoegen door datgene te geven wat op dit moment alles voor ons betekent.