Eerste lezing: Genesis 23,1-4.19-24.1-8.62-67
Evangelie: Matteüs 9,9-13
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd toen Jezus verder ging,
zag Hij iemand aan het tolhuis zitten die Matteüs heette,
en Hij zei tot hem: Volg Mij.
De man stond op en volgde Hem.
Terwijl Hij nu in diens woning aan tafel aanlag,,
kwamen ook vele tollenaars en zondaars
met Jezus en zijn leerlingen aanliggen.
Toen de Farizeeën dat zagen zeiden ze tot zijn leerlingen:
Waarom eet uw Meester met tollenaars en zondaars?
Hij hoorde dit en zei:
Niet de gezonden hebben een dokter nodig maar de zieken.
Gaat heen en leert wat het zeggen wil:
Ik wil liever barmhartigheid dan offers.
Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen
maar zondaars te roepen.
Homilie
In dit evangelie gaat het van één zondaar, de tollenaar Matteüs, naar vele tollenaars en zondaars, naar alleen maar zondaars. "Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen maar zondaars te roepen", om met alleen maar die zondaars te gaan aanliggen. Het volgen van Jezus wordt hier voorgesteld als helemaal te bestaan in het zich laten welgevallen van zijn barmhartigheid. Dat is de pointe waarheen dit gebeuren verwijst en waaraan het zijn hele betekenis ontleent: "Ik wil liever barmhartigheid dan offers. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen maar zondaars te roepen." De wil van iemand bepaalt de waarde die je aan zijn daden en zijn woorden moet geven.
Nu is er in de mens een gecompliceerdheid in zijn willen. Iemand kan het goed bedoelen in zijn wil en tegelijkertijd kan er toch iets zelfzuchtigs achter zitten. Aan de oppervlakte kan iemand het goed bedoelen, maar dieper in hem kan hij met de beste bedoelingen van de wereld toch zichzelf zoeken. Maar als iemand zich werkelijk van die dubbelhartigheid heeft ontdaan, als hij zuiver van hart is geworden, zonder bijbedoelingen is, zonder nevenoogmerken, zonder achtergedachten, dan bepaalt zijn wil de waarde van wat hij doet en zegt. En als Jezus zegt: "Ik wil liever barmhartigheid dan offers", dan betekent dat, dat wij dat en dat alleen moeten zoeken achter alles wat Hij vraagt, doet en zegt, óók achter de offers die Hij vraagt. Jezus bedoelde hier natuurlijk niet mee te zeggen dat Hij geen offers zou vragen, want net tevoren had Hij Matteüs geroepen en hem gevraagd alles op te geven. "Volg Mij" betekent dat hij alles achter moet laten. Net zoals Abraham moest Matteüs een vreemdeling worden, hij moest weg uit zijn familie en alles opgeven. Dat is een vorm van opstaan, van overgaan, een zozeer opstaan tot het nieuwe leven, dat degenen die Jezus níet volgen eenvoudigweg 'doden' kunnen worden genoemd. Onlangs hebben we dat nog in het evangelie gehoord: "Laat de doden hun doden begraven" (Mt 8,22). En deze opstanding gaat, evenals die van Jezus, gepaard met een offer. Maar alle offers hebben de barmhartigheid tot inzet, ze worden niet gevraagd om anderen te veroordelen, te straffen, te verwerpen zoals de Farizeeën dat wilden. Want als wij dat zouden willen, wat zou er dan van onszelf overeind blijven?
Jezus' Hart is barmhartig, Hij is vol medelijden en goedheid en daarom "wil Ik aan degene die het laatst gekomen is evenveel geven als aan u", krijgen de werkers van het eerste uur te horen (Mt 20,14). Hij verkiest met het zijne te doen wat Hij verkiest. Dat klinkt gemakkelijk als willekeur en het roept iets schrikwekkends op. Iemand die meent maar te kunnen doen wat hij wil, kan zich ook permitteren om zich aan recht en wet hoegenaamd niet te storen. Maar we hoeven niet bang te zijn voor Jezus' willekeur, want het is waar dat Hij in zijn wil Zich inderdaad helemaal niet laat storen door recht en wet, maar Zich uitsluitend uitleeft in goed doen en in goed zijn. "Of zijt ge kwaad, omdat Ik goed ben?", vraagt Hij ook nog aan diezelfde werkers. Alles komt bij Hem helemaal vanuit zijn goddelijk Hart.
Van die wil heeft Jezus een wilsbeschikking nagelaten, een testament: "het Nieuwe Verbond in mijn Bloed." Steeds gebeurt hetzelfde: het publiek is hetzelfde gebleven door de eeuwen heen, tollenaars en zondaars, maar Hij is ook dezelfde gebleven. "Ik wil liever barmhartigheid dan offers."
Dat is wat wij hier doen: aanzitten en ons zijn barmhartigheid laten welgevallen, goed wetende dat wij er helemaal geen recht op hebben, dat wij Hem niet waardig zijn, maar dat Hij Zich, bewust van onze onwaardigheid, toch helemaal wil weggeven in zijn goedheid.