Zaterdag in de dertiende week
    van het oneven jaar
                         

Eerste lezing: Genesis 27,1-5.15-29
Evangelie: Matteüs 9,14-17


Inleiding  

'Maria, mild en machtig', zongen we in het openingslied. En ook nog: 'Maar de straffen wil ik dragen.' Worden wij dan gestraft? Straft God dan? Nee, Hij is mild en barmhartig, en die straffen, dat zijn straffen die het kwaad uit zichzelf voortbrengt. Het kwaad straft zichzelf. Die straf moet je dragen als boete om van het kwaad, dat zijn eigen kwaad voortbrengt, verlost te worden, gereinigd, gezuiverd te worden. Zo lang we hier op aarde zijn, straft God niet, maar vergeeft. En Maria, mild en machtig, doet met zijn macht hetzelfde. Zij is de moeder van barmhartigheid.
Belijden wij dan eerst onze schuld om deze heilige Geheimen, waarin wij Gods barmhartigheid vieren, goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Op zekere dag
kwamen de leerlingen van Johannes de Doper tot Jezus met de vraag:
“Waarom vasten wij en de Farizeeën wel,
maar uw leerlingen niet?”
Jezus sprak tot hen:
“De vrienden van de bruidegom
kunnen toch niet bedroefd zijn
zolang de bruidegom bij hen is.
Er zullen dagen komen
dat de bruidegom van hen is weggenomen;
dan zullen zij vasten.
Niemand gebruikt voor een oud kleed
een verstellap van ongekrompen stof,
want het ingezette stuk trekt aan het kleed
en de scheur wordt nog groter.
Ook doet men geen jonge wijn in oude zakken,
anders bersten de zakken,
de wijn loopt er uit en de zakken gaan verloren.
Maar jonge wijn doet men in nieuwe zakken;
dan blijven beide behouden.”

Homilie

“Waarom vasten wij en de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?"
Goeie vraag! Waarom doen wij als christenen de dingen anders dan anderen? Nu wordt deze vraag gekoppeld aan het vasten, waarom wel vasten, waarom niet vasten, maar de vraag kan gesteld worden bij alles wat we doen, bij alles wat wij anders doen dan anderen. Jezus antwoordt: "De vrienden van de bruidegom kunnen toch niet bedroefd zijn (en vasten) zolang de bruidegom bij hen is. Er zullen dagen komen dat de bruidegom van hen is weggenomen, dan zullen ze vasten." Het antwoord op de vraag: waarom vasten, waarom niet vasten is dus niet omdat Jezus het zo geleerd heeft, of omdat de traditie het zo geleerd heeft, en wij ons daaraan houden en anderen niet, of omdat het gezonde mensenverstand leert dat je je af en toe moet onthouden, vasten. Nee, het gaat niet om wetten en regels, maar om de Stichter zelf van die wetten en regels. Ons geloof is geen programma, geen stelsel van regels of van leerstellingen, maar ons geloof is Iemand, is een Persoon, ons geloof is Jezus.

Het gaat niet om een doel op zichzelf, bijvoorbeeld ascese, of de band met de traditie, of een gezonde levenswijze waarin het vasten een rol moet spelen, het gaat niet om het vasten op zichzelf genomen, het gaat er niet om of je dit of dat doet, dit of dat achterwege laat, en ook niet om wat je bent, maar het gaat erom of je van Jezus bent, of je de vriend bent van de Bruidegom. Het evangelie gaat om Jezus, dat Jezus bij ons is. Het gaat in ons leven om Jezus, omdat het bij Jezus om óns gaat. Hij in ons midden. Hij wil bij zijn mensen zijn zoals God dat ook was in het Oude Verbond: "Ik zal uw God zijn en gij mijn volk (Lv 26,12). Hij is bij hen door in hun midden te verblijven als de wolkkolom overdag en de vuurzuil 's nachts. Dag en nacht is Hij de Aanwezige. Jahweh betekent toch: “Ik ben die is", Ik ben er voor u.

Gods aanwezigheid is het centrum van onze Kerk. Wanneer Hij aanwezig is vieren we dat. Het gaat om de aanwezigheid van de Heer. Als Hij aanwezig is, wordt alles anders, dan wordt het vasten anders, dan wordt het vasten hongeren naar Jezus. Niet vasten is het vieren van zijn afwezigheid. En als Hij er niet is, bijvoorbeeld in de tijd van het vasten, bijvoorbeeld op Stille Zaterdag, dan is de kerk en ook deze kapel een ruimte van afwezigheid. Dan schittert Hij door afwezigheid, dan is Hij nadrukkelijk afwezig.

Dat Jezus afwezig is of beter: schijnt, kan je ook overkomen in het gebed, in de leegte van het gebed, of in de leegte van het lijden, waarin datgene afwezig is waarin je Hem hebt kunnen vinden, bijvoorbeeld: je gezondheid. Toch is Hij dan soms meer aanwezig dan in de tekenen van zijn aanwezigheid. Je zou dat een negatieve liturgie kunnen noemen die past bij een negatieve theologie.
En zoiets kunnen mensen ook samen meemaken in tijden van vervolging, in tijden van cultuurverval, alles spreekt dan van de afwezigheid van God. Of in onze eigen Kerkprovincie. Daar hebben wij het ene teken na het ander zien wegvallen, tot en met de meest overtuigende tekenen van zijn aanwezigheid: roepingen, heiligheid, eenheid, tot er bijna niets meer overbleef. Maar ook dat kan een teken zijn van zijn aanwezigheid: Hij 'schittert' dan door afwezigheid. Ons leven is het leven van Jezus; we vasten uit behoefte en honger naar Jezus. Dat is christelijk vasten.

Zo kan wat regelrecht tegen alles ingaat, wat we in de eerste lezing hebben gehoord: dat valse spel dat de jongste, aangedreven door zijn moeder Rebecca, speelt met zijn oude, blinde vader en met zijn eigen broer, toch nog iets goeds hebben. Je zou denken: hoe kan iemand daar nog een goed woord voor overhebben. Het staat zo in de Schrift, breed uitgemeten, in geuren en kleuren verteld, gnuivend als het ware om het verhaal, maar hoe kunnen we daar nog iets goeds inzien? We kunnen daar iets goeds in zien omdat het op zijn oorspronkelijke, originele manier iets duidelijk maakt van Gods handelen. God handelt niet met recht. Het zou eigenlijk zo moeten zijn dat God de God is van Abraham, de God van Isaäk en de God van Esaü, vanwege het eerstgeboorterecht. Maar niet de natuur is de norm van Gods handelen, maar de genade. Het eerstgeboorterecht werd aangezien als een heilig recht, als een onwrikbare instelling. Daar viel niet aan te tornen. Esaü had het moeten zijn, maar het werd Jakob. Aan hem en niet aan Esaü verbond God zijn naam: de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob, de valsspeler. Maar we zouden ook kunnen zeggen: Jakob, niet het kind van de natuur, maar van de genade.

Jezus heeft het ook zo gedaan. Hij is zelf omgegaan met het kwaad dat Hem werd aangedaan op de wijze van de genade. Hij werd overgeleverd en Judas speelt in die overlevering een eigen rol. Hij zocht naar een gunstige gelegenheid om Hem over te leveren (M6 26,16; Mc 14,11; Lc 22,6). Jezus weet daarvan, want Hij zegt bij het Laatste Avondmaal: "Een van u zal Mij overleveren. … Die met Mij de hand in de schotel steekt” (Mt 26,21.23; vgl. Mc 24,20)  Jezus wordt overgeleverd, want even later zegt Hij: “Dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wórdt (door God)" (Lc 22,19). Hij wordt overgeleverd door God, maar in een heilige wil, in de heilige Geest, levert Hij ook Zichzelf over. Het kwaad dat Hem wordt aangedaan weet Jezus om te buigen, te veranderen in goed, in genade, opdat ook wij een nieuwe wending zouden maken in de geschiedenis. Dat wij het kwaad dat mensen ons aandoen veranderen in goed, door het te dragen zoals Jezus heeft gedaan.