Dertiende zondag door het jaar,
                 jaar C
Eerste lezing: 1 Koningen 19,16b.19-21
Tweede lezing: Galaten 5,1.13-18
Evangelie: Lucas 9,51-62


Inleiding      

'Omnes gentes, plaudite manibus.' 'Alle volkeren, klapt voor de Heer.' Een applaus voor God! Waarom zouden we applaudisseren voor God? Waarom applaudisseren mensen? Omdat iemand een mooie prestatie heeft geleverd, bijvoorbeeld: een mooi doelpunt gemaakt, een mooie dans ten beste gegeven, een pianorecital gegeven, een rol gespeeld in een toneelstuk, een mooi schilderij gemaakt. De mensen zijn dan in de ban gekomen van de schoonheid van de prestatie en dat maakt hen enthousiast, geestdriftig, de handen gaan op elkaar. Dat is applaus voor een prestatie, voor een creatie, voor een stukje scheppingswerk. Nog steeds applaudisseren de volkeren voor God vanwege de schepping. De schepping kan nog steeds de handen van de volken op elkaar krijgen, als ze spontaan de gevoelens van hun hart laten gaan. De schepping is een superieur kunstwerk.
Vandaag op zondag vieren wij nog een ander kunstwerk van God, het kunstwerk van de verlossing. Daarbij gaat God niet alleen zoals bij de schepping met macht en met liefde te werk, maar met een heel bijzondere beweging van zijn Hart: de barmhartige liefde, liefde voor zijn vijanden, liefde voor de zondaars. Hij laat Zich niet leiden door rancuneuze gevoelens zoals zijn leerlingen. "Omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was, wilden de Samaritanen Hem niet ontvangen.” … “Toe de leerlingen dit gewaar werden, vroegen ze aan Jezus: Heer, wilt Gij dat wij vuur uit de hemel afroepen om hen te verdelgen?" Jezus echter maakte hun een streng verwijt. Hij treedt de vijanden van zijn volk met geduld tegemoet; Hij gaat niet mee met de rancuneuze gevoelens van zijn leerlingen en van ons.
In de eucharistie is ook ons reisdoel Jeruzalem. Laten wij dan aan het begin van deze viering onze rancuneuze gevoelens van ons afspoelen door het water van het doopsel, en ons hart met een heilige geestdrift omkeren naar God.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Toen de dagen van zijn verheffing hun vervulling naderden,
aanvaardde Jezus vastberaden de reis naar Jeruzalem
en zond boden voor Zich uit.
Dezen kwamen op hun tocht in een Samaritaans dorp
om er zijn verblijf voor te bereiden.
Maar de Samaritanen ontvingen Hem niet,
omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was.
Toen de leerlingen Jakobus en Johannes dit gewaar werden,
vroegen ze: “Heer, wilt Gij dat wij vuur van de hemel afroepen
om hen te verdelgen?”
Maar Hij keerde zich om en wees hen op strenge toon terecht.
Daarop vertrokken zij naar een ander dorp.
Terwijl zij onderweg waren zei iemand tot Hem:
“Ik zal U volgen, waar Gij ook heen gaat.”
Jezus sprak tot hem:
“De vossen hebben holen en de vogels hun nesten,
maar de Mensenzoon heeft niets
waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten.”
Tot een ander sprak Hij: “Volg Mij.”
Deze vroeg:
“Heer, laat mij eerst teruggaan om mijn vader te begraven.”
Jezus zei tot hem:
“Laat de doden hun doden begraven, maar gij,
ga heen en verkondig het Rijk Gods.”
Weer een ander zei:
“Ik zal U volgen, Heer,
maar laat mij eerst afscheid nemen van mijn huisgenoten.”
Tot hem sprak Jezus:
“Wie de hand aan de ploeg slaat,
maar omziet naar wat achter hem ligt,
is ongeschikt voor het Rijk Gods.”

Homilie      

“Toen de dagen van zijn verheffing hun vervulling naderden, aanvaardde Jezus vastberaden de reis naar Jeruzalem."
We maken hier een keerpunt mee, een wending, een beslissende wending in het openbare leven van Jezus. Want na zijn doopsel in de Jordaan, in het zuiden, in Judea, in de buurt van Jeruzalem, was Jezus uitgeweken naar Galilea, in het noorden. Naar Galilea, om zo ver mogelijk weg te zijn van de Joodse overheid die Hem achtervolgde. In Galilea begon Hij zijn prediking, daar riep Hij zijn apostelen, daar legde Hij de basis voor het nieuwe Godsvolk, daar deed Hij wonderen, daden uit kracht van de heilige Geest en vertelde Hij zijn parabels en daar ging Hij van stad tot stad, van dorp tot dorp, van gehucht tot gehucht, in een circulaire, rondtrekkende beweging. "Hij trok rond", zo staat het er. En nu gaat Hij van die rondtrekkende beweging over naar een lineaire, lijnrechte beweging naar Jeruzalem. In de Griekse vertaling staat: 'Hij duwde zijn gezicht in de richting van Jeruzalem'. Vastberaden! Dat is een heel andere richting wat de beweging betreft, in plaats van circulair lineair, maar daar past ook een heel andere innerlijke houding bij. In Galilea deed Hij niets anders dan  preken, genezen, Zich inzetten voor de verkondiging in woord en daad; daar was Hij actief. Maar van nu af aan laat Jezus Zich leiden door een meer passieve houding, van zijn totale zelfuitlevering. Hij laat aan Zich doen, Hij duldt, Hij is passief. Daarbij is er een kracht in Hem die Hem die vastberadenheid geeft Zich door niets of niemand - niet door zijn omgeving, niet door zijn eigen natuurlijke gevoelens - te laten weerhouden om die weg te gaan. En die vastberadenheid is tegelijkertijd vervuld van zekerheid van de overwinning. Langs die weg, zo voelde Jezus het aan, kan Hij zijn doel pas bereiken. Dat is de weg die Hij móet gaan. Hij is vervuld van een visie, van een visioen waarin de weg die Hij moet gaan uitloopt op zijn verheffing. Het loopt goed af; Hij zal overwinnen door de nederlaag heen.

Jezus begint een geschiedenis van dulden en dragen, van vergeven en barmhartig zijn tot het uiterste toe. Hij laat de macht van het kwaad op Zich afkomen om er de nog grotere macht van zijn goedheid tegenover te stellen. Hij laat als het ware het kwaad verdrinken in de vloed van zijn barmhartige liefde. Hij treedt het kwaad tegemoet met geduld, met zachtmoedigheid. Dat is zijn keuze, of beter: dat is zijn leven, dat is zijn Hart. "Leert van Mij, Ik ben zachtmoedig (tegenover het geweld) en nederig van hart (tegenover God)" (Mt 11,29). Die houding van Jezus is aanleiding geworden van een woordenwisseling tussen Hem en twee leerlingen, de zonen van de donder, Johannes en Jakobus, vurige mensen met vurige gevoelens. "De Samaritanen ontvingen Hem niet, omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was." De Samaritanen waren anti Jeruzalem, en in die anti Jeruzalem houding waren ze ook anti Jezus. Er was tussen Samaritanen en Joden een vete, een bloedige haat. En de apostelen, echte Joden, reageerden op dat niet willen ontvangen van Jezus, omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was, op de manier van rechtgeaarde Joden. Als mensen op weg zijn naar het goede, als zij iets goeds willen doen en ze worden daarbij gedwarsboomd, dan doen ze zoals die twee leerlingen deden: "Heer, wilt Gij dat wij vuur van de hemel afroepen om hen te verdelgen?" Elia had daar ook een handje van. En dat was ook wat de Joden verwachtten van de Messias: een vurig einde maken aan het kwaad. Ook de mensen van onze tijd verwachten dat nog steeds. Het is allemaal zo erg in de wereld, er móet wel een oordeel of een straf komen. Johannes de Doper heeft het zelf gezegd: "Reeds ligt de bijl aan de wortel van de bomen”, wachtend op een hand die ermee zal zwaaien om de bomen te kappen. “De wan heeft Hij in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer grondig zuiveren”, een reiniging, een zuivering doorvoeren in heel de wereld. “Het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur” (Mt 3,10.12; vgl. Lc 3,9.17). Daar heb je dat vuur. En Jezus zelf zegt het ook: “Iedere boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen" (Mt 7,19).

Maar dan nu die wending. Door een niet te begrijpen wonder van geduld en barmhartigheid wordt ons een tussentijd geschonken. Dat is de tijd van de Kerk, de tijd waarin wij nu leven, de tijd van bekering, de tijd van een genadige God. En in die tijd wordt dat uitbrekende vuur van de oordelende en straffende God bij Jezus (daar begint het) een binnenbrand, waardoor zijn heilig Hart in lichterlaaie komt te staan, zoals dat op afbeeldingen van zijn goddelijk Hart graag wordt weergegeven: vlammen slaan uit het Hart. Dat zijn geen vlammen van oordeel, van vernietiging, van verdelging, maar van ingehouden geduld, van lijden. Geduld hebben betekent toch niets anders dan lijden? U kent het woord in het Latijn: 'patientia', in het Frans: 'patience', 'geduld'. In dat woord 'patientia' of 'patience' zit het woord 'pati', en dat betekent: lijden. Geduld hebben betekent dus lijden. Hoe dikwijls moeten wij niet geduld oefenen? Dat kost inspanning, dat kost lijden. Het vuur dat men anderen bespaart, - als men die ander wel door elkaar zou willen schudden, als men tegen die ander zou willen uitvaren en je doet dat niet, - dát vuur slaat naar binnen toe. Steeds maar iemand verdragen, alles maar dulden, dat zet iemand zelf in brand. Dat is dan het plaatsvervangende lijden, het eerherstellende lijden. Niets doen, niets zijn, niets kunnen, en dat willen, dat dulden, dat beoefenen.

Dat is de weg die Jezus ons is voorgegaan en waarop wij iedere keer als wij eucharistie vieren met Hem mogen meegaan. Precies die situaties in je oproepen waar je tegenop ziet, waar je boos om zou willen worden. Laat die er zijn en laat die omvormen in het zachte vuur van de heilige Geest, het vuur van Jezus' barmhartige liefde.