Donderdag in de veertiende week
          van het even jaar
Eerste lezing: Hosea 11,1.3-4.8c-9 [III 163];
Evangelie: Matteüs 10,7-15 [III 164]                          


Inleiding  

'Omnis terra adoret Te.' Eigenlijk zou 'heel de aarde U moeten aanbidden', want Hij is de Allerhoogste, Hij is de Koning, Hij heeft de macht. Maar Hij is een Koning die Zichzelf voorstelt als een Vader. "Toen Israël nog jong was, kreeg Ik Hem lief en uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen." Ik heb Hem, zoals een vader zijn zoon, leren lopen en bij de armen opgevangen toen hij bij zijn eerste stappen onderuitging. En Ik heb hem zijn voedsel toegereikt. Dus God, de Allerhoogste, wordt ons voorgesteld als Iemand die ons zo nabij is als een vader zijn kind nabij is. Ook Jezus zegt: "Als een zoon zijn vader om een ei vraagt, zal hij hem toch geen schorpioen geven?" (Lc 11,12). Zo heel nabij, heel goed aanvoelend wat de behoeften zijn van het kind, zo nabij wordt ons God voorgesteld. En niet alleen in het spreken over Hem, maar ook in het doen, want zoals Hij wordt voorgesteld zo doet Hij nu aan ons. Hij, de Allerhoogste, reikt ons zijn voedsel toe, het voedsel dat Hijzelf is, dat is zijn Zoon, dat is zijn liefde. Zo hoog, zo nabij, dat is onze God.
Proberen wij ons nu klein te maken en belijden wij onze schuld, vooral ons gebrek aan vertrouwen in zijn liefde, ten einde deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.

                           
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot de twaalf:
“Verkondigt op uw tocht:
Het Koninkrijk der hemelen is nabij.
Geneest zieken, wekt doden op,
reinigt melaatsen en drijft duivels uit.
Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven.
Tracht dus geen goud, zilver of koper te verwerven
om er uw gordels mee te vullen.
Verschaft u ook geen reiszak voor onderweg,
geen tweede onderkleed, geen schoeisel of stok,
want de arbeider is zijn onderhoud waard.
Als ge in een stad of in een dorp komt,
onderzoekt dan wie waard is u te ontvangen,
en verblijft daar tot gij weer vertrekt.
Wanneer ge dat huis binnentreedt,
brengt het uw vredegroet;
en wanneer het die waard is,
moge uw vrede over dat huis komen,
maar wanneer het die niet waard is,
dan kere uw vrede op u terug.
Als men u ergens niet ontvangt
en niet naar uw woorden luistert,
verlaat dan dat huis of die stad
en schudt het stof van uw voeten.
Voorwaar Ik zeg u:
Op de oordeelsdag
zal het voor het land van Sodom en Gomorra
dragelijker zijn dan voor die stad.”
             
Homilie  

“Ik ben God, Ik ben geen mens."
Hoe zit dat nu? In Jezus heeft God Zich juist met mensen vergeleken, in Hem heeft Hij Zich zo menselijk voorgesteld. Nu ineens zegt Hij: "Ik ben geen mens." Ik ben niet zoals de mensen. Waarin vergelijkt God Zich met de mensen? Waarin is Hij als de mensen? En waarin wil Hij niet zijn als de mensen?  Hij is als de mensen waar deze goed zijn voor elkaar, waar ze kunnen invoelen, kunnen aanvoelen wat deze mensen ter harte gaat. Zoiets wat een man doet met zijn paarden. Hij pakt de leidsels en ment ze met teugels van liefde. Als het juk zo tegen de kaken drukt dat het pijn doet, dan zal de bezitter van zo'n dier dat aanvoelen en het juk even optillen. Zó wil God zijn als de mensen. Maar waarin Hij niet als de mensen wil zijn, dat is in het kwaad met kwaad vergelden, zich laten gaan in vlammende toorn, wanneer zij onrecht doen, wanneer ze geweld plegen, wanneer ze hun eigen wegen gaan. Dat doen de mensen, dat is menselijk.

Als ons onrecht wordt aangedaan, slaan we terug, dan eisen wij ons recht. God echter zegt: Ik ben niet zoals de mensen. Ik had heel wat redenen om te slaan, om Mij te laten gaan in vlammende toorn, toen zij in plaats van Mij de Baäls aanbaden en vereerden. Ze gingen gewoon vreemd. Waarom zou Ik mij dan niet in mijn toorn laten gaan? Maar nee, er komt in mijn hart een ander gevoel naar boven, van onder de hardheid van mijn vlammende toorn, een zacht gevoel. "Mijn hart slaat om, heel mijn binnenste wordt week." God geeft goed voor kwaad, liefde voor haat. Hij geeft niet alleen zoals een vader aan zijn kind geeft, maar Hij vergeeft ook nog eens. Hij gaat door als de anderen ontrouw worden en hun eigen leven gaan.

Dat is die goddelijke vrede die de leerlingen in hun hart dragen. "Wanneer gij dat huis binnentreedt, brengt het uw vredegroet; en wanneer het uw vrede waard is, moge uw vrede over dat huis komen, maar wanneer het die niet waard is, dan kere de vrede tot u terug." Met 'uw vrede' wordt de vrede van God bedoeld. Die vrede is iets goddelijks. Daaraan mogen anderen deel hebben indien zij dat waardig zijn, precies zoals wij mogen delen in het Lichaam van Christus wanneer wij dat waardig zijn, wanneer wij daarvoor waardig gemaakt wórden. 'Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt, maar spreek slechts één woord en mijn ziel zal gezond worden.' Ik ben Jezus niet waard, maar ik ben waardig gemáákt Hem te ontvangen.

Die vrede van God hebben wij al gekregen in het sacrament van het doopsel, zo maar. En we krijgen het steeds weer opnieuw, hier in de eucharistie: 'Mijn vrede geef Ik u.' We geven die vrede ook aan elkaar, maar die moet niet alleen met de handen ontvangen worden, die moet ook nog in het hart worden opgenomen, zodat u deze in de gewone omgang met elkaar kunt doorgeven.