Maandag in de veertiende week
        van het even jaar
Eerste lezing: Hosea 2,16.17b-18.21-22 [III 157];
Evangelie: Matteüs 9,18-26 [III158]                            


Inleiding  

In het openingslied bezongen wij de grootheid van God, zijn macht. We denken daarbij natuurlijk op de eerste plaats aan de schepping. Hoe groot is uw Naam, wijd en zijt op aarde en hoog aan de hemel. Maar de macht van God reikt veel verder. De macht van God is in staat om iemand uit de dood tot leven te brengen, zoals we vandaag in het evangelie zullen horen. Maar Hij gaat nóg verder: Hij kan zelfs iemand van wie de ziel dood is, nog tot leven wekken. Hij kan hem doen opstaan uit de macht van de zonde. Dat is de grootste macht van God, zijn macht om te vergeven.
Belijden wij dan eerst onze zonden, dat wij God de rug hebben toegekeerd, om ons opnieuw tot leven te laten wekken door de macht van zijn barmhartige liefde.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Terwijl Jezus eens tot de menigte sprak
kwam er een overste naar Hem toe,
wierp zich voor Hem neer en zei:
“Mijn dochter is zojuist gestorven,
maar kom haar de hand opleggen
dan zal ze weer levend worden.”
Jezus stond op, ging met hem mee,
vergezeld van zijn leerlingen.
Plotseling naderde Hem van achter een vrouw
die al twaalf jaar lang aan vloeiingen leed,
en raakte de zoom van zijn mantel aan.
Want ze zei bij zichzelf:
“Als ik alleen maar zijn mantel kan aanraken,
zal ik al genezen zijn.”
Maar Jezus keerde zich om
en toen hij haar zag sprak Hij:
“Heb goede moed, dochter,
uw geloof heeft u genezen.”
En vanaf dat ogenblik was de vrouw gezond.
Toen Jezus in het huis van de overste kwam
en de fluitspelers en het misbaar makende volk zag,
sprak Hij:
“Gaat heen,
want het meisje is niet gestorven, maar slaapt.”
Doch ze lachten Hem uit.
Toen al het volk buiten gezet was,
trad Hij naderbij,
greep haar hand
en het meisje stond op.
Het verhaal hiervan deed de ronde door heel die streek.

Homilie  

De eucharistieviering bestaat uit twee gedeelten: de woorddienst en de offerdienst. De woorddienst is een voorbereiding op de offerdienst. Ze bereidt ons voor op wat er straks gaat gebeuren in die tweede helft. Ze stelt ons in staat om datgene wat gebeuren gaat in de offerdienst, ook aan onszelf te laten gebeuren. Wat gebeurt er dan straks in de offerdienst? Dan gaat het van leven naar de dood en van de dood naar het leven. Door de dood heen naar het nieuwe leven van God.

Wat zien we vandaag in het evangelie, wat gebeurt er aan die mensen toen en daar? En wat gebeurt er aan ons die het meemaken? Er sterft een kind, het gaat van leven naar dood. Maar door de tussenkomst van Jezus wordt het dode kind weer levend. Hij brengt het kind terug naar het leven. En terwijl Jezus onderweg is naar het dode kind, komt er een vrouw die aan bloedvloeiing leed, die haar bloed, haar levenskracht, verliest, waardoor haar een ellendige moeheid overkomt. Zij wordt door aanraking genezen en krijgt haar levenskracht weer terug. Dit zijn lichamelijke wonderen, als symboolhandelingen van een groter wonder, een geestelijk wonder, het grote geestelijke wonder dat God aan de mensheid verricht.

De liefde in ons hart tot God is gestorven. We zijn - om het met de woorden van de eerste lezing uit de profeet Hosea uit te drukken - ontrouw geworden aan onze bruidegom, en wij weten niet hoe dat ooit goed te maken is. Er heeft een breuk plaats gevonden in ons hart, we hebben nee gezegd tegen God, we zijn van God afgevallen, hebben de vriendschap met God opgezegd, we hebben ons - weer in de taal van de Schrift - afgoden gekozen, zoals Baäl. We roepen niet meer tot God: "Mijn man”, maar we roepen tot onszelf, tot mensen en tot de dingen van de wereld: “Mijn Baäl”, mijn afgod. Maar God wil het weer goed maken met ons, Hij wil ons weer “tot zijn bruid, voor altijd." Hoe doet Hij dat, zodat het ook echt aan ons gebeurt? Hoe krijgt Hij ons hart zover, dat wij in vrijheid willen wat Hij wil? Dat wij Hem willen! Hoe krijgt Hij dat gedaan?

Ons hart is vol van de Baäls van deze wereld en uiteindelijk komt het allemaal op hetzelfde neer, namelijk, dat wij zo verschrikkelijk veel van onszelf houden. Ons hart is vol van onszelf. Daarom is het nodig, dat wij terecht komen in situaties waar wij geen voedsel vinden voor onze eigenliefde. God heeft dat gedaan met het uitverkoren volk. Hij heeft het bevrijd uit de slavernij. Uit farao's dienst bevrijd moesten zij door een woestijn heen, door een woestijnperiode, om af te kicken van hun slavengeest, om al lijdende een innerlijk vrij volk te worden. Daar in de woestijn, ver weg van de wereld met zijn macht, met zijn afgoden, met zijn brood en spelen, met zijn tirannieën, als een zwervend volk, zonder eigen bodem, zonder vastigheid, in een voortdurende strijd om het bestaan, niemand om tegen te vechten, niemand om een verbond mee te sluiten, waren ze alleen met God. Alleen in het naakte bestaan met God alleen. Dat overkomt volken nog steeds als ze na een periode van welvaart in armoede gedompeld worden door bijvoorbeeld een oorlog. Maar persoonlijk maken mensen dat ook mee. Mensen die zich met God verloofd hebben, kunnen zoiets meemaken in het gebed, in periodes die ze moeten doormaken van zorg, eenzaamheid, onvruchtbaarheid, verlatenheid. Als je dat overkomt, zie het dan als een verlokking, als een verleiding van je Bruidegom. "Mijn ontrouwe bruid, weldra lok Ik haar weer naar Mij toe, zorg Ik dat ze naar de woestijn gaat en Ik daar spreek tot haar hart." Dorheid en troosteloosheid zijn een gevolg van eigenliefde, maar als je dat niet als een straf maar als een kruis doorstaat in geduld, dan wordt het als een verlovingsperiode, die je uitlokt tot een verdiepte, vernieuwde liefde tot je Bruidegom.

Dat proberen in alles te zien, in het goede dat je ontvangt van de goede God, maar ook in het slechte, het kwade dat je overkomt. Achter alles schijnt de zon van Gods liefde. Dat maakt het mogelijk om door veel kwaad heen te komen en het maakt het ook mogelijk om je aan veel goed te blijven onthechten.