Maria op zaterdag
Heilige Johannes Gualbertus, abt
Eerste lezing: Jesaja 6,1-8 [III 167];
Evangelie: Matteüs 10,24-33 [III 168]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn apostelen:
De leerling staat niet boven zijn meester
en de dienaar niet boven zijn heer.
Voor de leerling moet het voldoende zijn
behandeld te worden als zijn meester,
voor de dienaar als zijn heer behandeld te worden.
Als men het hoofd van het huisgezin
al Beëlzebub durft noemen,
hoeveel te meer dan zijn huisgenoten?
Weest niet bang voor hen.
Niets is bedekt of het zal onthuld,
niets is verborgen of het zal bekend worden.
Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat uit in het licht,
en wat ge u in het oor hoort fluisteren
verkondig dat van de daken.
Weest niet bevreesd voor hen
die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel;
vreest veeleer Hem
die én ziel én lichaam in het verderf kan storten in de hel.
Verkoopt men niet twee mussen voor één stuiver?
En toch zal buiten de wil van uw Vader
niet één mus op de grond vallen.
Bij u echter is zelfs ieder haar van uw hoofd geteld.
Weest dus niet bevreesd;
gij zijt toch meer waard dan een zwerm mussen?
Ieder die Mij bij de mensen belijdt,
hem zal ook Ik als de mijne erkennen
bij mijn Vader die in de hemel is.
Maar ieder die Mij zal verloochenen tegenover de mensen,
hem zal ook Ik verloochenen
tegenover mijn Vader die in de hemel is.
Homilie
De leerling staat niet boven zijn meester, en de dienaar niet boven zijn heer." Zou het je beter moeten vergaan dan het je meester vergaan is? Je moet het er op kunnen laten aankomen om met je bloed te getuigen. Het zou je je hachje wel eens kunnen kosten. "Weest niet bang! Weest niet bevreesd! Weest dus niet bevreesd!" Tot driekeer toe zegt Jezus dat tegen zijn apostelen. Er is dus wel degelijk reden om bang te zijn, want anders zou Hij niet gezegd hebben dat je niet bang hoeft te zijn. Jezus windt er bepaald geen doekjes om. Wie zou er nu niet bang zijn om alles te verliezen, om zijn leven te verliezen? Hij doet er zelfs nog een schepje bovenop door te zeggen: Weet je voor wie je wel bang moet zijn? Voor God! "Vreest veeleer Hem (God) die én ziel én lichaam in het verderf kan storten in de hel." De vrees voor God wordt er door Jezus bijgehaald om de vrees voor de mensen buiten de deur te houden. Daar hebben we in de eerste lezing een mooi voorbeeld van. Jesaja zag de Heer in zijn vreeswekkende Majesteit, en terwijl hij geheel vervuld was van de vreze voor de Heer, was hij zijn angst voor de mensen kwijt. "Wee mij, ik ben verloren! Want ik ben een mens met onreine lippen en ik woon te midden van een volk met onreine lippen, en daar ben ik bang voor. Toch durfde hij te zeggen: Hier ben ik, zend mij!"
Angst is iets waar onze wereld vol van is. Wat doe je met je angst? Het hoort bij het menselijk bestaan. Je hoeft je er dus niet voor te schamen. Mensen in onze dagen zijn bang voor geweld, voor criminaliteit, ze beveiligen zich ertegen. In onze economie worden in de sector beveiliging goede zaken gedaan. Dat is een sector waar een goede boterham in te verdienen is. 'De een zijn dood, is de ander zijn brood.' Maar het gevolg is wel dat wanneer de middelen sterker worden tegen het geweld, de vindingrijkheid van de criminelen ook sterker wordt, met als gevolg dat de angst ook weer toeneemt. Angst is er dus overal en altijd; het is er altijd al geweest en zal er ook altijd blijven.
En wat zegt Jezus nu? Wees maar niet bang. Ze kunnen alleen maar je lichaam doden. Dat is ook niet niks. Daar zijn de mensen net zo bang voor. Ze zijn bang om hun hachje te verliezen. Is de overlevingsdrang, het willen overleven, het in leven willen blijven, niet een van de sterkste driften die God in de mens heeft gelegd? En daar zou je dan vrij tegenover moeten staan? Zoals de martelaren! Martelaren zijn er altijd geweest, en daaruit blijkt dat er dus altijd mensen zijn geweest die zich niet door hun angst hebben laten leiden. Martelaren zijn er ook in onze dagen, misschien nog wel meer dan in andere tijden, waarschijnlijk omdat er meer angst is, meer angst om het leven te verliezen. Want dan is er ook meer moed, meer levensmoed, moed om je leven te verliezen voor God.
Wat is er nu met de angst aan de hand? Dat je bang bent, daar is niets verkeerds mee. Angst overvalt je, dat roep je niet op, dat hou je niet tegen. Je mag dus best bang zijn, sterker nog, je zou eigenlijk de moed moeten hebben om bang te zijn, bang dúrven zijn. Je zou je moed allereerst moeten inzetten niet tegen je angst, maar voor je angst. Als de angst in je opkomt, laat die er dan zijn, maar geef je er niet aan over. Angst is een slechte raadgever. Ga niet in op wat de angst je ingeeft. Laat de angst niet de koers van je leven bepalen, laat de angst je niet de weg die God voor je heeft uitgestippeld, voorschrijven te verlaten of te wijzigen. Stel geen daden uit angst, want angst heeft iets van een hond. Een hond reageert op angst, hij voelt je angst en wordt dan des te agressiever. Zo kunnen mensen ook reageren op elkaar. Kinderen - dat zijn nog primitieve mensen - worden agressiever tegenover kinderen die angstig zijn. Maar ook volwassenen reageren soms zo op bange mensen.
Het is met angst als met alle gevoelens. Je mag ze hebben, maar je mag ze niet zijn. Je mag angst hebben, maar de angst mag jou niet hebben. Rustig bang zijn. Bijvoorbeeld door het tegenovergestelde te doen van wat de angst je ingeeft. In plaats van weg te lopen juist ernaar toe gaan. In plaats van je door de angst te laten bevangen en maar te hopen dat het niet zal gebeuren, je voorstellen dat wel zal gebeuren waar je bang voor bent, en er naar verlangen dat het inderdaad zal gebeuren, als je weet dat dat de wil van God is. Om zo dichter bij God te zijn. Het gaat er om dat je je méér met Hem verenigt, méér zijn dienaar bent. Zo ben je dan méér het kind van de Vader. Want daar eindigt dit evangelie mee: "Buiten de wil van uw Vader zal niet één mus op de grond vallen."
Dat heeft moeder Mechtildis tot die verbijsterende uitspraak gebracht voor mensen die verschrikkelijk bang worden, dat ze verdoemd zullen worden, omdat ze in hun waan, in hun bezetenheid vervloekingen uitspreken, of menen te moeten uitspreken tegen God en tegen zijn heiligen. Laat je maar door God in de hel werpen, wat Jezus zegt. Bind je voor goed aan je vertrouwen op God. Bind je aan zijn welbehagen. Zijn welbehagen dat is jouw goed, dat is jouw opperste goed. Het welbehagen van de opperste God is jouw opperste geluk, zoals je in heel het Oude en Nieuwe Testament kunt lezen.
Word je dus in het diepste ongeluk gestort, in de hel, maar gebeurt dat binnen de wil van God, dan vind je daar je opperste geluk, in de zekerheid, in het vertrouwen dat God je Vader is. Hij die jou heeft uitverkoren om te bestaan in de liefde van zijn Zoon, die Zich voor ons in de hel heeft geworpen in overgave aan de wil van zijn Vader.