Dinsdag in de veertiende week
      van het even jaar
            H. Maria Goretti, maagd en martelares


Eerste lezing: Hosea 8,4-7.11-13  
Evangelie: Matteüs 9,32-38


Inleiding  

Twaalf jaar was Maria Goretti - even oud als het meisje dat gisteren in het evangelie door Jezus tot leven werd gewekt - toen zij werd gedood door de hand van een buurjongen. Maar de dood was voor haar de toegang tot het leven, tot het échte leven. Ook haar weg was de weg van Jezus, want zij was niet alleen martelares op het moment van haar dood, nee, zij was martelares gedurende heel haar leven, heel haar jonge leven. Een voorbeeld: 'Nog liever zou ik willen sterven dan ooit van mijn leven zulke taal in mijn mond te nemen als hij', zei ze eens tegen een meisje uit haar klas. En: 'Altijd, altijd, altijd was Maria gehoorzaam jegens mij,' zegt haar moeder, 'nooit heeft ze mij vrijwillig verdriet gedaan.' Werd zij soms, wanneer zij het niet verdiend had, voor een onvrijwillig verzuim uitgescholden, dan werd ze nooit brutaal. Ze kwam niet met verontschuldigingen aanzetten, ze bleef rustig, en vol respect, zonder een spier van haar gezicht te vertrekken. Ze had een inwendige schat, een heiligdom, eenzelfde heiligdom als wij allemaal hebben, maar van waaruit wij te weinig leven.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs


In die tijd bracht men Jezus een stomme
die door de duivel bezeten was.
Zodra de duivel was uitgedreven, begon de stomme te spreken.
De mensen zeiden vol verbazing:
“Nog nooit heeft men in Israël zó iets gezien.”
Maar de Farizeeën zeiden:
“De vorst der duivels stelt Hem in staat
de duivels uit te drijven.”
Jezus ging rond door alle steden en dorpen,
waar Hij onderricht gaf in hun synagogen
en de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk
en alle ziekten en kwalen genas.
Bij het zien van die menigte mensen
werd Hij door medelijden bewogen,
omdat ze afgetobd neerlagen
als schapen zonder herder.
Toen sprak Hij tot zijn leerlingen:
“De oogst is wel groot
maar arbeiders zijn er weinig.
Vraagt daarom de Heer van de oogst
arbeiders te sturen om te oogsten.”

Homilie  

“In die tijd bracht men Jezus een stomme die door de duivel bezeten was",
een bezetene, een door de duivel bezetene, een 'beduvelde' staat er letterlijk. Jezus drijft de duivel uit. "Zodra de duivel uitgedreven was, begon de stomme te spreken." De goede geest is communicatief, mededeelzaam, schept gemeenschap, contact. De slechte geest sluit mensen in zichzelf op, isoleert mensen van elkaar. De reactie van de mensen is dan ook tweeledig: de goede geest brengt tot een reactie van bewondering: "Nog nooit heeft men in Israël zo iets gezien!", maar de slechte geest herleidt het goede tot iets slechts: het goede wordt in een kwaad daglicht gesteld, 'er zit een verkeerde bedoeling achter, de duivel heeft er de hand in!': "De vorst der duivels stelt Hem in staat de duivels uit te drijven."

De Farizeeën, de leiders die op dat ogenblik de macht hebben, zijn bedorven. Zij denken in macht en niet in dienst: boven de ander staan in plaats van eronder, heersen en niet dienen. Macht kan een mens bederven. Het hart van de Farizeeën is bedorven door macht. Ze praten dan ook over macht, "de vorst der duivels stelt Hem in staat de duivels uit te drijven." 'De vorst, de machthebber van de duivels geeft Hem macht over de duivels.'

Mensen kunnen worden bedorven door de macht die ze hebben, maar ook door de macht die ze niet hebben, maar met alle geweld begeren te hebben, wanneer ze in gedachten bezig zijn met: 'wie zal het winnen, hoe kunnen wij dit erdoor krijgen, hoe krijgen we die persoon aan de macht', of als mensen altijd bezig zijn met woorden als: 'ze moesten dit, ze moesten dat …' (Wat Ignatius van Loyola 'decretisten' noemde, mensen die anderen decreten voorschrijven, bepalen wat anderen volgens hen moeten doen).

In de eerste lezing schetst de profeet hoe een heel volk door de machthebbers naar de ondergang wordt geleid: ze hebben zich eigenmachtig leiders gekozen: "buiten mijn weten om." En ze kiezen hun eigen eredienst. Als het kwaad zo diep doordringt dat men, zoals de heidenen, zelf zijn goden maakt, dat zelfs degenen die aan God zijn toegewijd erdoor worden aangetast, als het kwaad doordringt tot bij het altaar, als zelfs het heilige wordt ontheiligd, dan breekt God het af. Een stortvloed van verwijten giet God over hen uit: "Ja, Efraim heeft zijn altaren talrijk gemaakt, maar ze dienden om te zondigen, altaren om te zondigen! En tenslotte de straf: “Naar Egypte terug!" Dat betekent terug in de slavernij. De mens haalt het zichzelf op de hals, door de zonde valt hij terug in de slavernij. 'Laat ze maar teruggaan naar de slavernij waar Ik ze uit heb weggehaald. Wat Ik met eigen kracht en met mijn genade en wat ze door mijn goedheid hebben opgebouwd, zal worden afgebroken, als het heilige ontheiligd wordt.' Maar dat is niet einde, niet in het Oude Testament, kijk maar naar de tussenzang, het psalmrefrein: "Israëls volk vertrouwt op de Heer."

Maar ook in het Nieuwe Testament is het kwaad niet het einde. Terwijl de leiders trachten Jezus zwart te maken bij de mensen en het goede dat Hij doet in een kwaad daglicht plaatsen, "ging Jezus rond door alle steden en dorpen.” Het is niet zijn macht die rondgaat, maar zijn medelijden: “Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder." Dat is de macht van Jezus: medelijden, de dienst van het medelijden, in plaats de macht om te heersen.