Donderdag in de veertiende week
         van het even jaar
Eerste lezing: Hosea 11,1.3-4.8c-9  
Evangelie: Matteüs 10,7-15


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot de twaalf:
“Verkondigt op uw tocht:
Het Koninkrijk der hemelen is nabij.
Geneest zieken, wekt doden op,
reinigt melaatsen en drijft duivels uit.
Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven.
Tracht dus geen goud, zilver of koper
te verwerven om er uw gordels mee te vullen.
Verschaft u ook geen reiszak voor onderweg,
geen tweede onderkleed, geen schoeisel of stok,
want de arbeider is zijn onderhoud waard.
Als ge in een stad of in dorp komt
onderzoekt dan wie waard is u te ontvangen
en verblijft daar tot ge weer vertrekt.
Wanneer ge dat huis binnentreedt
brengt het uw vredegroet
en wanneer het die waard is
moge uw vrede over dat huis komen,
maar wanneer het die niet waard is,
dan kere uw vrede tot u terug.
Als men u ergens niet ontvangt
en niet naar uw woorden luistert,
verlaat dan dat huis of die stad
en schudt het stof van uw voeten.
Voorwaar, Ik zeg u:
Op de oordeelsdag
zal het voor het land van Sodom en Gomorra
dragelijker zijn dan voor die stad.”

Homilie      

De apostelen moesten op hun tocht verkondigen dat het Rijk der hemelen nabij is. God is nabij en wel als Koning. Zijn koninklijke heerschappij staat op aanbreken. Het hangt in de lucht. De lucht is zwanger van Gods koninkrijk. Daarvan moesten de apostelen de verkondigers zijn. Zij moeten verkondigen dat God alles te zeggen heeft en dat alle koninkjes van deze wereld, die de macht van God hebben overgenomen, die zich de macht van God hebben toegeëigend, het veld moeten ruimen. Uiteindelijk is dat iedere mens. Iedere mens heeft zich als een koning op de troon gezet van zijn eigen 'ik'. En nu moeten wij ruim baan maken. Alles en allen hebben te gehoorzamen aan Hem. God maakt een einde aan het machtsmisbruik van de mensen.

Dat was de boodschap, de Blijde Boodschap, die de apostelen van Jezus hebben meegekregen. Maar ze konden dat nu wel zeggen, ze konden dat wel preken, maar dat zou geen enkele indruk maken als ze niet zelf enig teken van die naderende koningsheerschappij van God zouden kunnen laten zien. Het moest niet alleen bij woorden blijven. En het eerste teken is: geen geld verwerven. "Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven. Tracht dus geen goud, zilver of koper te verwerven om er uw gordels mee te vullen." Geen goud, dat is het grote geld, geen zilver, dat is het kleinere geld, en koper is het kleingeld, de pasmunt. Geld dat is namelijk wat het koninkrijk van deze wereld bij elkaar houdt. Met geld kun je de goederen van deze wereld kopen en daar over beschikken. Je kunt ze naar believen je toe-eigenen; je kunt wat onroerend is, vast, door het geld los maken, beschikbaar, zodat je ermee kunt doen en laten wat je zelf wilt. Het is beter niet met geld bezig te zijn en dat niet te willen hebben.

In uw verhoudingen (van de zusters van priorij Nazaret) zou dat betekenen: geen tijd willen hebben. In de wereld is dat zelfs al: 'Time is money', 'tijd is geld'. Als je tijd hebt, ben je rijk. Soms zijn er van die dagen, bijvoorbeeld als er een feest voorbereid moet worden, waarin iedereen merkt dat zij geen tijd heeft, dat zij geen grote tijd heeft, geen groot geld, geen uur, geen zilver, geen kwartier, ja, dat er zelfs geen minuten zijn, geen pasmunten van eigen tijd, van minuutjes voor jezelf. Er kan elke keer beslag op je worden gelegd. Je moet worden ingezet in het geheel. Nu denkt u misschien: maar ik heb toch alles al gegeven toen ik mij toewijdde aan God. Toen heb ik toch niet alleen mijn goederen, maar ook mijn tijd weggegeven. Jawel, maar in de loop van dat aan God toegewijde leven eigent iedereen zich vanzelf weer datgene toe wat hij heeft weggegeven. Aan de moeite die je hebt om dat los te laten, merk je dat je het je hebt toegeëigend.

Wie zorgt er dan voor je onderhoud als je niets hebt, als je zelfs niets mee mag nemen? "Verschaft u ook geen reiszak voor onderweg, geen tweede onderkleed, geen schoeisel of stok." Niets meenemen, zegt Jezus. Als je in de dienst van Gods koningschap, in de dienst van zijn koninkrijk wordt uitgezonden, dan zal Hij voor je zorgen. Hij staat met alles voor je ten dienste, met al zijn goederen, met de goederen van zijn schepping, maar ook met zijn tijd. Dat is de diepe betekenis van de armoede en dat is de diepe betekenis van het geen tijd hebben voor jezelf. God breekt binnen met zijn tijd, met de tijd van de eeuwigheid in je hart en in je geschiedenis. Tijd vóór Hem wordt dan tijd ván Hem. Want Hij heeft toch ook al zijn tijd ons ter beschikking gesteld. Hij heeft Zich gegeven, helemaal en voor altijd.