Zaterdag in de veertiende week
        van het even jaar
                              Maria op zaterdag


Eerste lezing: Jesaja 6,1-8
Evangelie Matteüs 10,24-33


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot zijn apostelen:
“De leerling staat niet boven zijn meester
en de dienaar niet boven zijn heer.
Voor de leerling moet het voldoende zijn
behandeld te worden als zijn meester,
voor de dienaar als zijn heer behandeld te worden.
Als men het hoofd van het huisgezin
al Beëlzebub durft noemen,
hoeveel te meer dan zijn huisgenoten.
Weest niet bang voor hen.
Niets is bedekt of het zal onthuld,
niets is verborgen of het zal bekend worden.
Wat Ik u zeg in het duister, spreek dat uit in het licht,
en wat ge u in het oor hoort fluisteren,
verkondigt dat van de daken.
Weest niet bevreesd voor hen
die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel;
vreest veeleer Hem
die én ziel én lichaam in het verderf kan storten in de hel.
Verkoopt men niet twee mussen voor een stuiver?
En toch zal buiten de wil van uw Vader
niet één mus op de grond vallen.
Bij u echter is zelfs ieder haar van uw hoofd geteld.
Weest dus niet bevreesd;
gij zijt toch meer waard dan een zwerm mussen.
Ieder die Mij bij de mensen belijdt,
hem zal ook Ik als de mijne erkennen
bij mijn Vader die in de hemel is.
Maar ieder die Mij zal verloochenen tegenover de mensen,
hem zal Ik ook verloochenen
tegenover mijn Vader die in de hemel is.

Homilie    

In de eerste lezing van vandaag horen we het roepingsvisioen van de profeet Jesaja. Toen hij Gods heerlijkheid zag, voelde hij zijn zondigheid. “Wee mij, ik ben verloren! Want ik ben een mens met onreine lippen. … En toch hebben mijn ogen de Koning, de Heer van de hemelse machten gezien!” Hij is dan zozeer van de vreze Gods vervuld, dat hij zijn vrees voor de mensen kwijt is. Dat was het moment waarop hij kan zeggen wat hij eerst niet kon: “Hier ben ik: zend mij!"

In het evangelie worden wij samen met de leerlingen uitgezonden om Jezus te volgen. Daarbij vindt Hij het nodig ons toe te roepen: "Weest niet bang.” … “Weest niet bevreesd”, en nogmaals: “Weest niet bevreesd." In de loop van dit evangelie zegt Jezus dit tot driemaal toe, als een soort liturgisch refrein, zoals wij bij het Sanctus driemaal zeggen: 'Heilig, heilig, heilig.' De profeet Jesaja beleefde hier op aarde al die hemelse liturgie, en ook wij herhalen dat in de eucharistie telkens weer. Zo bidden wij ook aan het begin van de viering tot driemaal toe 'Kyrie eleison', 'Heer, ontferm U'.

Jezus zei dat niet alleen om wat hun misschien eens zou kunnen overkomen aan angstwekkende situaties, zo van: als dat of dat gebeurt, hoef je niet bang te zijn. Dat zou geen indruk gemaakt hebben. Maar Hij heeft dat ongetwijfeld gezegd voor situaties waar bij iedere mens de schrik om het hart slaat. Bijvoorbeeld: de Schriftgeleerden en de Farizeeën met heel hun macht tegen Jezus alleen. Of nog erger: het kwaad en het geweld van de duivel. Door de kieren van zo'n door de duivel bezeten mens keken zij recht in de hel. Teresia van Avila beschrijft zo'n situatie aan de oorsprong van haar zending. En dat doet Jezus nu tot hen zeggen: "Weest niet bevreesd." Je voelt je heel klein, heel machteloos, maar het heeft God de Vader behaagd u het Koninkrijk te schenken.

Als je bang bent, voor hen "die wel het lichaam kunnen doden”, als je bang bent om je hachje te verliezen, breng je te binnen waar je nog meer bang voor moet zijn, en dat is voor God. “Vreest veeleer Hem (God), die én ziel én lichaam in het verderf kan storten in de hel." Is dat niet de eerste trap van nederigheid in Benedictus' regel? De juiste verhoudingen zien in het heelal, waarin je staat als mens. God is groot. Hij is overmachtig groot. Vreest Hem, hebt ontzag voor Hem. Sta voor zijn grootheid. De vrees voor God wordt erbij gehaald om de vrees voor de mensen buiten de deur te krijgen. Precies zoals bij de profeet Jesaja.

Blijkbaar is er reden om bang te zijn, maar er is nog meer reden om gerust te zijn én te blijven bij datgene wat je van angst vervult. Dat is de reden waarom Jezus de Vader er bij haalt, degene aan wie Hij zelf ook zijn onbevreesdheid ontleent, zijn niets ontziende moed. Er is dus reden om bang te zijn, maar er is nog meer reden om gerust te zijn. Je hoeft je er niet voor te schamen dat je bang bent. Angst hoort nu eenmaal bij het menselijk bestaan. Onze wereld is stikvol van angst. Mensen zijn bang voor geweld, voor criminaliteit, voor terreur, in het groot en in het klein, ze beveiligen zich ertegen met allerlei beveiligingstechnieken. Maar het gevolg is dat de middelen nog gewelddadiger worden en de angst nog weer groter. Angst is er altijd geweest en zal er altijd zijn. Maar wat doe je nu met de angst? Angst overvalt je. Dat is niet tegen te houden. Je mag best bang zijn, sterker nog, je moet de moed hebben om bang te dúrven zijn. Je zou je geloof eigenlijk allereerst moeten inzetten tegen de angst om bang te zijn. Maar als de angst in je opkomt, geef je er dan niet aan over. Angst is een slechte raadgever en daarmee kun je niet op weg gaan. Ga daarom niet in op wat de angst je ingeeft. Laat de angst niet de koers in je leven bepalen. Stel geen daden uit angst en spreek geen woorden uit angst, want angst heeft iets van een hond. Een hond reageert op angst. Hij voelt je angst en wordt dan des te agressiever. Dat is bij mensen overigens ook zo. Primitieve mensen, kinderen bijvoorbeeld, worden agressiever tegenover kinderen die angstig zijn. Het is met angst zoals het is met alle gevoelens: je mag ze hebben, maar je moet ze niet zíjn. Je mag angst hebben, maar de angst mag jou níet hebben. Rustig bang zijn! Bijvoorbeeld door het tegenovergestelde te doen van datgene wat de angst je ingeeft. Als de angst je bijvoorbeeld ingeeft om weg te lopen, ga er dan juist naar toe, en stel je voor dat datgene gaat gebeuren waar je bang voor bent, verlang er zelfs naar dát het inderdaad zal gebeuren waar je bang voor bent, om zo dichter bij Jezus te zijn, om je meer met Hem te verenigen, die ook bang was. Leer zijn dienaar te zijn en meer kind van de Vader, bij wie Jezus het ook zocht. : "Buiten de wil van uw Vader zal niet één mus op de grond vallen." Dat kan ons boven onze angst uittillen, anders zou Jezus niet gezegd hebben, ons niet de zekerheid, het vertrouwen gegeven hebben dat God onze Vader is.

Wanneer je je nu je roeping te binnen brengt, je uitverkoren zijn, dan zul je weer weten, dat dat licht en die warmte die er toen over je kwam, echt van God was. Nu, dan hoef je toch niet meer bang te zijn. Hetgeen Hij begonnen is zal Hij toch ook afmaken. De heerlijkheid die er was aan het begin van je roeping, diezelfde heerlijkheid zal er toch ook aan het einde zijn, zoals in het evangelie vandaag. "Ieder die Mij bij de mensen belijdt, hem zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn Vader die in de hemel is." Tussen die twee heerlijkheden, die van aan het begin en die van aan het einde (van de roeping), daartussen voltrekt zich ons leven met zijn moeilijkheden. Maar dan mag u zich de geruststellende woorden van Jezus te binnen brengen: "Weest niet bang."