Donderdag in de veertiende week  
        van het oneven jaar
                                       Heilige Martelaren van Gorcum
                                                   (eigen lezingen)
 
Eerste lezing: 2 Korintiërs 4,7-25  
Evangelie: Matteüs 10,17-22


Inleiding  

'Dat zal een droom zijn,' zongen we in het intredelied. Toch was wat de martelaren, wier feest wij vandaag vieren, overkwam, geen droom maar werkelijkheid. Wat een droom had moeten worden, werd een nachtmerrie, want ze leefden in ballingschap en zijn later vermoord.
De martelaren van Gorcum vormden een bont gezelschap. Er was er één bij van negentig jaar, die ze, ondanks zijn ouderdom, respectloos hebben vermoord. Wat ze geloofden en waarvan zij spraken waren twee geheimen van Gods nabijheid bij zwakke mensen. Ten eerste was dat het geheim van de eucharistie en ten tweede het geheim van het primaatschap van de paus. Ze geloofden dat, omdat ze ervan overtuigd waren dat de heilige Geest de Kerk leidt, het schip van de Kerk onfeilbaar bestuurt. Dáár hadden zij hun leven voor over.
Waar haalden zij daarvoor de kracht vandaan?  Van Hem natuurlijk. Gods kracht in broze vaten (aarden potten), zegt de eerste lezing. Maar ook kregen ze de kracht een beetje van elkaar. De mondigen onder hen bemoedigden de woordarmen. 'Ik geloof alles wat vader abt zegt', zei een nog jonge monnik. De minder volmaakten konden zich optrekken aan de meer volmaakten. De laatsten moesten de anderen tot voorbeeld zijn, een soort poldermodel voor heiligheid. Ze hadden iets van: samen komen we er wel uit.
Het is moeilijk om in moeilijke omstandigheden trouw te blijven. Moeilijke omstandigheden, uiterst moeilijke omstandigheden, dat is wat wij hier vieren in het lijden en sterven van Jezus. Maar de kracht van Gods liefde kwam eruit, de kracht van Gods heerlijkheid, die zich heerlijk meester heeft gemaakt van Jezus. Dáár doorheen, door lijden en dood heen, worden wij wakker in de heerlijkheid van God.
Belijden wij dan eerst onze schuld, het gemak, de lichtvoetigheid of de oppervlakkigheid waarmee wij dit geheim plegen te vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
volgens Matteüs


In die tijd zei Jezus tot de twaalf:
“Neemt u in acht voor de mensen.
Zij zullen u overleveren aan de rechtbanken
en u geselen in hun synagogen.
Gij zult voor stadhouders en koningen gebracht worden
omwille van Mij,
om zo ten overstaan van hen en de heidenen
getuigenis af te leggen.
Maakt u echter wanneer men u overlevert
niet bezorgd over het hoe of wat van uw spreken:
op dat ogenblik zal u worden ingegeven wat gij moet zeggen.
Want niet gij zijt het die spreekt,
maar door u spreekt dan de Geest van uw Vader.
De ene broer zal de andere overleveren om hem te laten doden,
de vader zijn kind;
de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders
en hen ter dood doen brengen.
Gij zult een voorwerp van haat zijn voor allen,
omwille van mijn Naam.
Wie echter ten einde toe volhardt,
hij zal gered worden.”

Homilie    

Dat wij martelaren van eigen bodem vieren, komt niet dikwijls voor. Als wij het feest van een martelaar vieren, is dat meestal iemand uit een ander land. Maar vandaag zijn de martelaren van eigen bodem en dan nu nog wel van een 'familie doorsnee', zou je kunnen zeggen, mannen van het eigen volk. Ze komen overal vandaan, uit alle hoeken en gaten van Nederland, uit Gorcum, uit Weelde in België, uit Oisterwijk, uit Amersfoort, uit Weert. Ze kwamen ook uit alle lagen van de Kerk: een drietal diocesane priesters, reguliere priesters, elf franciscanen, een dominicaan, norbertijnen, een reguliere kanunnik en een franciscaanse lekenbroeder. Ze waren jong, oud, of van middelbare leeftijd. Er was zelfs een martelaar van negentig jaar bij. Ondanks zijn ouderdom hebben ze hem vermoord. Sommigen kwamen uit gegoede families, anderen waren van eenvoudige afkomst, sommigen waren geschoold, academisch gevormd aan de universiteit van Leuven. Eén van hen zou de volgende dag, op 10 juli, tot doctor in de theologie gepromoveerd zijn, en nu legde hij op 9 juli een proeve van bekwaamheid af in de praktische theologie, in de praktische geloofskunde. Sommigen waren zwak, anderen sterk, precies zoals een doorsnee communiteit in elkaar zit. Deze mannen stonden voor de opgave om binnen een tijdsbestek van veertien dagen, tussen zevenentwintig juni en negen juli, hun leven te geven.

Daar krijgt u (de zusters van priorij Nazareth) een heel leven voor. Toch wordt dat ook een martelaarschap genoemd: het groene of het witte martelaarschap, waarbij geen bloed vergoten wordt, maar waar geestelijke bloed vergoten wordt, geestelijke levenskracht. En evenals zij doet ook u het voor de eucharistie. Maar ook u doet wat zij gedaan hebben: elkaar tot steun zijn. De mondigen namen het woord voor de woordarmen. Toen de lekenbroeder werd gevraagd zich te verantwoorden wat hij dacht over de eucharistie en over het primaatschap van de paus, zei hij heel eenvoudig: 'ik geloof alles wat vader abt zo-even gezegd heeft.'
U hebt het Moeder Teresa van Calcutta misschien ook wel eens horen zeggen. Als ze door journalisten onder druk werd gezet om te zeggen wat zij vond van gehuwde priesters en de vrouw in het ambt, antwoordde zij telkens: 'Daarover denk ik helemaal niets. In deze houd ik gewoon vast aan waar de Kerk aan vasthoudt.'

De minder volmaakten hebben zich kunnen optrekken aan de sterkeren. Zwak en sterk, ze komen er samen doorheen. Zoals dat in iedere mens en in iedere groep mensen is. De eerste lezing van vandaag spreekt er dan ook over dat "wij een schat in aarden potten dragen", een geestelijke schat, de schat van de heilige Geest, zegt het evangelie. Waarom heeft God eigenlijk zijn schat toevertrouwd aan aarden potten, aan broze vaten? Want mensen zijn nu eenmaal broos, mensen zijn breekbaar, lichamelijk, geestelijk; dus waarom? De eerste lezing geeft als antwoord: "Opdat zou blijken dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons."

Dus in het zwakke van de mens zit ook iets positiefs. Het is niet alleen maar negatief, je moet het niet alleen in mindering brengen van zijn kracht; nee, als hij daar gelovig mee omgaat, als hij dat aanvaardt en niet verdringt, of sublimeert, of op een andere wijze uit de weg gaat, zich sterk maakt, maar als hij het aanvaardt in geloof, vertrouwend op Gods kracht, dan wordt die zwakheid tot sterkte, dan wordt het een trekpleister van Gods kracht. Gods kracht komt tot voltooiing in menselijke zwakte. God heeft zijn kracht namelijk niet voor Zichzelf, zoals wij onze zwakheid ook niet voor onszelf hebben. Die twee trekken elkaar aan, die zijn op elkaar aangelegd.

Het brood dat naar het altaar wordt gebracht is ook broos, breekbaar. Wat u vandaag eens zou moeten doen, is nu eens uw eigen zwakheid aanbieden, en dan zult u over uw eigen zwakheid heen zijn woord horen klinken: 'Dit is mijn Lichaam voor u.' Zo zal Hij uw zwakheid aannemen en heiligen.