Eerste lezing:Genesis 46,1-7.28-30 [II 165];
Evangelie: Matteüs 10,16-23 [II 166]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot de twaalf:
Zie, Ik zend u als schapen tussen wolven.
Weest dus omzichtig als slangen en argeloos als duiven.
Neemt u in acht voor de mensen.
Zij zullen u overleveren aan de rechtbanken
en u geselen in hun synagogen.
Gij zult voor stadhouders en koningen gebracht worden
omwille van Mij,
om zo ten overstaan van hen en de heidenen getuigenis af te leggen.
Maakt u echter wanneer men u overlevert
niet bezorgd over het hoe of wat van uw spreken:
op dat ogenblik zal u worden ingegeven wat gij moet zeggen.
Want niet gij zijt het die spreekt,
maar door u spreekt dan de Geest van uw Vader.
De ene broer zal de andere overleveren om hem te laten doden,
de vader zijn kind,
de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders
en hen ter dood doen brengen.
Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen
omwille van mijn Naam.
Wie echter ten einde toe volhardt,
hij zal gered worden.
Wanneer men u in de ene stad vervolgt,
vlucht dan naar een andere.
Voorwaar, Ik zeg u:
Gij zult niet gereed gekomen zijn met de steden van Israël
op het ogenblik dat de Mensenzoon komt.
Homilie
En God sprak tot Jakob in een nachtelijk visioen: Jakob, Jakob. Hij antwoordde: Hier ben ik." De God van ons geloof op heterdaad betrapt, want dit laat iets zien van hoe God onze God is geworden, hoe Hij helemaal aan het begin verschijnt in onze geschiedenis, in de geschiedenis van onze wereld, in de geschiedenis van onze Kerk. Hoe is God onze God geworden? Hoe hebben ze Hem ontdekt? Hoe zijn ze Hem op het spoor gekomen? Door diep over Hem na te denken? Hebben filosofen een stelsel, een systeem uitgedacht waardoor zij tenslotte bij God zijn uitgekomen? Zo en zo moet Hij wel zijn. Hebben ze misschien oude boeken gevonden of een geheime leer (kabala), zoals de Joden gekend hebben, of een catechismus? Nee, Israël, onze Kerk, heeft niet zozeer een leer óver God, maar de ervaring ván God. God zelf is het die Zich aan het volk meedeelt. Openbaring is niets anders dan zelfmededeling. God kan niet over Zichzelf spreken zonder Zichzelf mee te delen.
Hoe verscheen God aan hen? Als de God van de natuur? Als de God van hemel en aarde, als de Schepper, als de God van alle mensen? Nee, onze God is niet begonnen als de God die hemel en aarde gemaakt heeft, dat is een siertitel die naderhand aan de naam van onze God is toegevoegd. Ónze God is zoals Hij hier aan ons is meegedeeld: de God van de vader van Jakob. "Ik ben God, de God van uw vader", Isaak. De God van alle mensen is in eerste instantie de God van een gezin geweest, de God van een familie, van een clan. En zo gaat het nog steeds: om het maar eens plastisch uit te drukken: wij hebben God met de paplepel ingegeven gekregen. Hij is helemaal met ons menselijk bestaan vergroeid. Hij is een onuitwisbaar deel gaan uitmaken van het lot van een familie. Hij is hun leven gaan beheersen en heeft hen weggeleid uit Ur in Chaldea (Gn 11,31), Hij heeft Zich via allerlei gebeurtenissen en knooppunten, met het bestaan van zijn volk vervlochten. Onze God is nooit een verre God geweest, een abstracte God, de god van het zijn, de god van de filosofen, maar Hij is een God die een bijzondere band met ons heeft, die met ons iets voorheeft, met ons iets wil bereiken, die Zich via de Kerk met heel het menselijk geslacht wil verzoenen, en het wil verlossen.
Voordat God iets aan hen deed, wisten zij niets van God. Er gebeurde iets en daarin geschiedde God. Het kwam van Hem, de verborgen Aanwezige, die Zich steeds weer present stelde, die steeds weer verscheen in een visioen, in een openbaring, om Zich dan weer terug te trekken. Zo leefden zij van ervaring naar ervaring en dat legde diep in hun hart een geloofsgrond neer, een geloofsbodem, een gevoel onder alle gevoelens, een geborgenheid onder alle geborgenheid.
Ze hebben God ervaren, allereerst in hun nood, in verscheurdheid, in vervolging. Het evangelie van vandaag windt er geen doekjes om, maar trekt als het ware een doek open voor een apocalyptisch tafereel van overlevering aan Joden en heidenen, aan koningen en overheden. Verscheurdheid tot in de meest intieme weefsels van het menselijk bestaan. "Ze zullen u overleveren aan rechtbanken." Verscheurdheid van de samenleving, van de banden van de familie: vader en zoon, moeder en dochter. Maar door de verscheurdheid heen zien we weer de verbondenheid met de Grote, altijd Aanwezige. Als je Hem volgt, en je krijgt mensen en machten tegen je omwille van je verbondenheid met Hem, dan vergezelt Hij je ook met zijn kracht, met zijn zegen, met zijn heilige Geest. Het is dezelfde God: "Ik ben God. Ikzelf zal u naar Egypte vergezellen en Ik zal u weer terugbrengen."
Hij gaat met je mee, ook in de vervolging: "Niet gij zijt het die spreekt, maar door u spreekt dan de Geest van uw Vader." En die Geest van de Vader kan het opnemen tegen een mensvijandige omgeving, tegen vervolgers in het groot en in het klein, dichtbij en veraf, in de grote gelederen van de samenleving en in het kleine, intieme van de familie. Hij, de grote God, de altijd en overal Aanwezige, die hemel en aarde gemaakt heeft, Hij staat je bij met zijn heilige Geest. Maar wel op één voorwaarde: dat je de zwakheid waaraan je onderhevig bent wilt toegeven, dat je je die bewust maakt en liefdevol aanvaardt en niet verdringt. Niet proberen jezelf te redden, maar in je nood zal Hij je bijstaan en je rechtsbijstand zijn.