Eerste lezing: Genesis 32,23-33
Evangelie: Matteüs 9,32-38
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
volgens Matteüs
In die tijd bracht men Jezus een stomme
die door de duivel bezeten was.
Zodra de duivel was uitgedreven, begon de stomme te spreken.
De mensen zeiden vol verbazing:
Nog nooit heeft men in Israël zó iets gezien.
Maar de Farizeeën zeiden:
De vorst der duivels stelt Hem in staat
de duivels uit te drijven.
Jezus ging rond door alle steden en dorpen,
waar Hij onderricht gaf in hun synagogen
en de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk
en alle ziekten en kwalen genas.
Bij het zien van die menigte mensen
werd Hij door medelijden bewogen,
omdat ze afgetobd neerlagen
als schapen zonder herder.
Toen sprak Hij tot zijn leerlingen:
De oogst is wel groot
maar arbeiders zijn er weinig.
Vraagt daarom de Heer van de oogst
arbeiders te sturen om te oogsten.
Homilie
Het gaat in dit evangelie over een strijd tussen Jezus en de slechte geesten. Maar het gaat ook om een strijd tussen Hem en de Farizeeën en de schriftgeleerden, die met Hem twisten door zijn goede bedoeling, de bedoeling van de heilige Geest, verkeerd uit te leggen.
Ook in de eerste lezing is er strijd tussen Jakob en die man in zijn droom. Om dit enigszins te kunnen situeren, moeten wij weten, dat deze strijd plaats vindt op een heel spannend moment in het bestaan van Jakob. Hij is op de vlucht voor Ezaü. Er hangt een verzoeningspoging in de lucht, maar dat kan evengoed een moordpoging zijn. Hij moet de rivier de Jordaan oversteken bij een oversteekplaats, het wed van de Jabbok, een minder diepe plaats in de rivier. Hij doet dat met vrouw en kinderen, met zijn have en goed. Een gevaarlijke onderneming, en hij worstelt dan ook met de macht van de stroom. Hij is er met heel zijn kracht, met heel zijn verantwoordelijkheid bij betrokken, hij heeft de zorg voor vrouw en kinderen, voor zijn beesten, en achter zich bevindt zich zijn doodsvijand: zijn broer Ezau. Eindelijk heeft hij zijn vrouw en kinderen veilig door de stroomversnelling heen naar de andere kant geloodst, en hij blijft alleen achter. Hij ontspant zich en valt in slaap.
Maar in zijn slaap, zoals dat bij mensen pleegt te gebeuren als ze iets heel spannends hebben meegemaakt, worstelt hij verder. De geestelijke worsteling gaat door, de worsteling met de rivier en een man, en door dat psychische gebeuren heen ervaart Jakob een andere macht. Hij beseft dat hij te maken heeft met die vreemde, maar betrouwbare God, die hem al eerder heeft bijgestaan, de God die zijn vaderen, Abraham, Isaak, vereerden, de God die Zich een naam had verworven in zijn familie en die hen had bijgestaan wanneer zij te worstelen hadden, zoals hij nu op zijn levensweg, met gevaarlijke machten, moeilijke situaties, met plaatselijke machten en goden. Hij wilde weten of dat ook werkelijk de God was die zijn familie altijd had vereerd, en daarom vroeg hij Hem naar zijn naam. "Nu vroeg Jakob: Maak mij uw Naam bekend. Maar de man zei: Waarom vraagt ge naar mijn Naam?" Geen naam! Net zoals bij Mozes, want onze God is niet een god zoals de plaatselijke goden, zoals de geestelijke machten die het leven van mensen beheersen. Die hebben een naam, die zijn te plaatsen met een welomschreven functie, een actieradius en een jurisdictie.
Onze God echter, de God van Abraham, van Isaak, en ook van Jakob dus, is een God boven alle plaatselijke machten en krachten, en dat geeft die God iets ongrijpbaars, iets onnoembaars, niet te plaatsen, maar ook niet te manipuleren, niet in de hand te nemen. Niet dat God daar misbruik van maakt, nee, Hij stelt zijn superieure, boven alle machten uitstekende macht in dienst van het welzijn van mensen. Als God, op Mozes' verzoek, zijn Naam bekend maakt, Zichzelf bekend maakt, is dat geen gewone naam, geen naam waarmee God zijn identiteit prijs geeft, het is een functienaam, dat is een naam die, hoewel God zijn naam niet bekend wil maken, niet bekend kán maken omdat Hij God is, dient om God toch ergens te plaatsen: 'Wees maar niet bang. Je hoeft van Mij niet bang te zijn. Ik ben de Aanwezige, een beschermd God, een soort oergeborgenheid, een oerveiligheid. Met die macht om je heen kan je nooit iets overkomen. Je bent altijd en overal veilig bij Mij.
Hoe dikwijls zijn mensen niet in de macht, in de greep van een sterke vijand. Zij verzetten zich innerlijk, zij worstelen zoals Jakob, maar midden in die worsteling ervaren zij een andere macht, een geruststellende macht: een God van mensen, een God die mensen in hun gevecht met ziekte, vernedering, lichamelijke onmacht, persoonlijk bijstaat. 'De Heer is mijn licht en mijn heil, zongen wij zo even. 'Ik zal niet vrezen, want Gij zijt bij mij.' 'Ik ben bij je.'
Kijk nu eens naar Jezus in het evangelie. Daar is die macht die zich nu van achter de werkelijkheid toont. "Jezus ging rond door alle steden en dorpen, waar Hij onderricht gaf in hun synagogen en de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk. God is Koning. Hij is de Heer boven alle machten en krachten en wat is daarvan het bewijs? Hij genas alle ziekten en kwalen. En waar kwam die bewogenheid van Hem nu vandaan? Wat zijn nu zijn eigenlijke beweegreden? Hij werd door medelijden bewogen!"
Een moederlijke zorg, een vaderlijke hand zitten achter alles verborgen. 'De Heer is mijn licht en mijn heil'; Hij weet van mijn worstelen en strijden. Hij haalt mij er doorheen!