Eerste lezing: Genesis 44,18-21.23b-29.45,1-5
Evangelie: Matteüs 10,7-15
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot de twaalf:
Verkondigt op uw tocht:
Het Koninkrijk der hemelen is nabij.
Geneest zieken, wekt doden op,
reinigt melaatsen en drijft duivels uit.
Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven.
Tracht dus geen goud, zilver of koper te verwerven
om er uw gordels mee te vullen.
Verschaft u geen reiszak voor onderweg,
geen tweede onderkleed, geen schoeisel of stok,
want de arbeider is zijn onderhoud waard.
Als gij in een stad of in een dorp komt,
onderzoekt dan wie waard is u te ontvangen,
en verblijft daar tot gij weer vertrekt.
Wanneer ge dat huis binnentreedt
brengt het uw vredegroet;
en wanneer het die waard is
moge uw vrede over dat huis komen,
maar wanneer het die niet waard is,
dan kere uw vrede tot u terug.
Als men u ergens niet ontvangt
en niet naar uw woorden luistert,
verlaat dan dat huis of die stad
en schudt het stof van uw voeten.
Voorwaar, Ik zeg u:
Op de oordeelsdag zal het voor het land van Sodom en Gomorra
dragelijker zijn dan voor die stad.
Homilie
Wat een verhaal, deze eerste lezing uit het boek Genesis. Dat onderhoud tussen Juda en Jozef en die confrontatie van Jozef met zijn broers. Wat een edele menselijkheid. Hier wellen diepmenselijke gevoelens op uit het hart. Vrees, ontsteltenis, geborgenheid, edele trouw, trouwe liefde. Bij zulke verhalen ga je begrijpen wat paus Johannes Paulus II zo graag zei: 'De weg van de Kerk, de weg van God, is de mens.' De weg van God is de weg van de mens. God voegt niet zo maar iets toe aan de menselijkheid, maar Hij bezielt de mens met een nieuwe geest, zijn eigen goddelijke Geest, zodat heel de mens, van binnen naar buiten, van psyche naar lichaam, helemaal anders wordt, genade wordt. Genade geworden menselijkheid! En door die nieuwe geest stijgt de mens ver boven zichzelf uit, zonder dat hij ophoudt mens te zijn, in tegendeel: hij is mens in volheid. Hij is veel meer genade dan mensen kunnen opmerken. Want wat de mensen zien, is menselijkheid, maar die menselijkheid is bij de heiligen door Gods Geest bezielde menselijkheid.
Wat een verschil met gewone door menselijke geest bezielde menselijkheid! Dat kun je in onze wereld zien. Hoe de mensen erbij lopen, hoe ze kijken, hoe ze zich gedragen, is nu typisch de menselijkheid die geïnspireerd is door de eigen geest van de mens. Hoeveel boosaardigheid en hoeveel wantrouwen, hoeveel geweld, soms zelfs in één huishouden. Kijk maar eens naar de koran en leg die naast de bijbel. In de bijbel staan hoogstandjes van literatuur, poëzie van de hoogste rang, gedurfde, meeslepende beelden, Jesaja, Jeremia, ze laten zich ademloos lezen. Ik wil niets slechts zeggen over de koran, maar het is maar een moeilijk boek, heel saai.
Echter, wat wij hier, in het boek Genesis, meemaken, in dat schone verhaal van Jozef en zijn broers, is nog maar het begin. "Werd de wet door Mozes gegeven, de genade en de waarheid kwamen door Jezus (Joh 1,17). Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (Joh 1,14). Deze woorden, en ook nog die andere grote, verrukkelijke woorden die Johannes in zijn proloog uitspreekt: Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader ontvangt, vol genade en waarheid (Joh 1,14). Dat alles ziet hij in de ontmenselijkte menselijkheid van Jezus aan het kruis. Hij ziet de binnenkant: liefde, barmhartige liefde, dat is die heerlijkheid die hij aanschouwde en heel de Kerk met hem.
Heette het bij Jozef en zijn broers nog: Ik ben Jozef, de broer die gij naar Egypte hebt verkocht. Gij hoeft niet zo terneergeslagen te zijn en u zelfs niet meer te verwijten dat gij mij hierheen verkocht hebt, want God zelf heeft mij voor u uitgezonden om u in leven te houden", wij hebben hier de eigen en enige Lieveling van God de Vader, ons toevertrouwd op onze karavaanreis door het leven. Wij hebben Hem verkocht voor dertig zilverlingen, aan het kruis laten slaan door de heidenen. Wij zijn de wijnbouwers en wij hebben gezegd: "Hij is de erfgenaam, vooruit, laten we Hem vermoorden" (Mt 21,38; Mc 12,7; Lc 20,14). Wat zal Hij nu gaan doen met die wijnbouwers? Het door de menselijke geest geïnspireerde hart zou zeggen: Hij zal hun een gruwelijke dood laten sterven. Maar nee, we hoeven niet bang te zijn, want Hij, "de steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, verworpen, is juist de hoeksteen geworden" (Mt 21,42 naar Ps 118,22). Hij begint een nieuw bouwwerk, een nieuw volk, een nieuwe schepping, geïnspireerd door een nieuwe geest.
In het evangelie zien we hoe Jezus een begin maakt met dat nieuwe volk. Hij zendt er twaalf uit als de vaders van het nieuwe twaalfstammen volk en door hen geneest God zelf. "Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen en drijft duivels uit. Het is God zelf die voor zijn volk zorgt. Je hoeft niet zelf te zorgen. Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven.
Verschaft u ook geen reiszak voor onderweg, geen tweede onderkleed, geen schoeisel of stok", geen nodeloze investeringen in menselijke relaties. God zelf zorgt voor ons en God zelf geeft ons zijn vrede. Zo brengt God zijn eigen heerschappij hier op aarde en midden in onze menselijke verhoudingen.
Wij zijn anders geworden, niet zozeer door onze menselijke inspanning, niet zozeer door ons best te doen, maar doordat God zijn eigen Geest in ons hart heeft uitgestort en daardoor in staat is om een heel nieuw menszijn te voorschijn te brengen in het oude menszijn. Dat doet Hij ook in de eucharistie, waarin de heilige Geest, diezelfde nieuwe Geest, die Geest van God die over brood en wijn wordt uitgesproken, het Lichaam en het Bloed van Christus voortbrengt, en waarbij wij allemaal in die omvorming worden betrokken en opgenomen tot een nieuwe mensheid, een nieuwe schepping.