Veertiende zondag door het jaar,
                  jaar C
Eerste lezing: Jesaja 66,10-14c  
Tweede lezing: Galaten 6,14-18
Evangelie: Lucas 10,1-12.17-20


Inleiding      

'Suscepimus, Deus, misericordiam tuam.' 'Wij gedenken uw goedheid, Heer, hier binnen uw heiligdom.' Dit is de intredezang van twee februari, de opdracht van het Kind Jezus in de tempel, en waarbij Simeon het Kind in zijn armen mocht ontvangen als teken van Gods barmhartigheid. Dat brengt ons naar de goede houding om deze viering in door te brengen, de houding van ontvankelijkheid. Wij mogen ontvangen. We hebben niet zoveel te geven, we hebben eigenlijk níets te geven, en wij zijn dan ook helemaal aangewezen op Degene die Zich hier aan ons gaat geven. God geeft ons het leven, het nieuwe leven, zijn eigen Kind, zijn eigen Zoon, en dat wordt dan ook óns leven. We zijn kinderen in de Zoon, zonen en dochters in de Zoon. Wij leven een leven in zonde dat uitloopt op de dood, maar we krijgen het nieuwe leven, het echte leven, het leven van bij Hem.
Dat is voor het eerst gebeurd in het Sacrament van het heilig Doopsel. Het is dan ook een goed begin van de zondagse eucharistie om ons opnieuw in herinnering te brengen, dat wij, vanaf het begin van ons geloofsleven, dat nieuwe leven van God hebben ontvangen. We brengen het ons opnieuw in herinnering, opdat wij er meer bewust vanuit gaan leven.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd wees de Heer tweeënzeventig leerlingen aan
en zond hen twee aan twee voor Zich uit
naar alle steden en plaatsen
waarheen Hijzelf van plan was te gaan.
Hij sprak tot hen:
“De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig.
Vraagt daarom de Heer van de oogst
arbeiders te sturen om te oogsten.
Gaat dan, maar zie,
Ik zend u als lammeren tussen wolven.
Neemt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel,
en groet niemand onderweg.
Laat in welk huis gij ook binnengaat uw eerste woord zijn:
Vrede aan dit huis!
Woont daar een vredelievend mens,
dan zal uw vrede op hem rusten;
zo niet, dan zal hij op u terugkeren.
Blijft in dat huis en eet en drinkt wat zij u aanbieden;
want de arbeider is zijn loon waard.
Gaat niet van het ene huis naar het andere;
in elke stad waar ge binnengaat en ontvangen wordt,
eet wat u wordt voorgezet,
geneest de zieken die er zijn,
en zegt tot hen: Het Rijk Gods is nabij.
In elke stad waar ge binnengaat en niet ontvangen wordt,
trekt daar door de straten en zegt:
Zelfs het stof uit uw stad dat aan onze voeten kleeft,
schudden wij tegen u af.
Maar weet dit wel: Het Rijk Gods is nabij.
Ik zeg u:
Op die dag zal het voor de mensen van Sodom
dragelijker zijn dan voor die stad.”
De tweeënzeventig keerden vol blijdschap terug en zeiden:
“Heer, zelfs de duivels onderwerpen zich aan ons door uw Naam.”
Hij zei tot hen:
“Ik zag de satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.
Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden,
te heersen over heel de kracht van de vijand;
en niets zal u kunnen schaden.
Toch moet ge u niet verheugen over het feit
dat de duivels aan u onderworpen zijn,
maar verheugt u
omdat uw namen staan opgetekend in de hemel.”

Homilie        

“Neemt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel."
Is dat nu een manier om iemand op weg te sturen, de leerlingen op reis te sturen? Jezus stuurt ze op missiereis zonder zelfvoorziening, weerloos, kwetsbaar, onbeveiligd. Dat is toch echt onverantwoord, zouden wij zeggen. Inderdaad, mensen kunnen het niet maken iemand zo op weg te sturen, maar God kan dat wel. Voor God geldt juist het tegendeel. Het zou tegenover God onverantwoord zijn de leerlingen met allerlei voorzieningen op reis te sturen, terwijl zij in feite in dienst staan van de voorzienige God. Het zou eigenlijk een vorm van God verzoeken zijn om Hem met allerlei voorzieningen voor de voeten te lopen, terwijl Hij toch klaar staat hen met zijn gaven te voorzien, precies op het moment dat ze dat nodig hebben. Wij noemen dat tegenwoordig: zorg op maat. En dat is nu precies wat God doet. Hijzelf heeft al die voorzieningen niet nodig, maar Hij geeft die zorg als een mantelzorg aan zijn leerlingen. Er wórdt voor hen gezorgd. Ze hebben er geen omkijken naar, er is Iemand die naar hén omkijkt. Dat hebben ze gemerkt ook, want bij het Laatste Avondmaal herinnerde Jezus zijn leerlingen er nog eens aan: "Toen Ik u uitzond zonder beurs, zonder reiszak, zonder schoeisel, heeft het u toen aan iets ontbroken? Ze antwoordden: Aan niets" (Lc 22,35).

God ziet naar ons om als wij in vertrouwen naar Hem opzien. Dat is een levenshouding die je al in het gebed kunt inoefenen, want in het gebed kun je ook aan zelfverzorging doen. Bidden alsof Hij er niet is. Bidden als was het een soort zelfbedieningswinkel, het lege karretje van je hart vullen, ja, volstouwen met van alles en nog wat uit angst voor de leegte. Lezen in plaats van bidden. Zelf doen in plaats van Hem het werk te laten doen. Bidden is geen werk van de mens, dat is het werk van God. Was dat niet het verwijt van de ongelovige filosoof Jean Paul Sartre? 'Christenen praten het gebed vol uit angst voor de leegte.' Jezus zegt dan ook niet: praat, spreek, maar luister. God spreekt. Je hebt toch oren om te horen, luister dan. God spreekt. Is het begin van alle inwendig gebed niet dat je je dwingt tot niets doen, tot niets zeggen, tot niets je voorstellen? Dat je probeert alleen maar te zijn, te zijn in ontvankelijkheid als een klein kind, met open armen om de barmhartigheid van de Heer te ontvangen, zoals Simeon. Dat je je opstelt als een erbarmelijke voor de Barmhartige, als een armzalige, om de Zaligmaker te kunnen ontvangen. God zorgt voor je in het gebed, zoals Hij zorgt in het apostolaat. Apostolaat kun je eigenlijk pas doen als je je van je pantsers ontdoet. Je verkeert wel in een gevaarlijke omgeving, als lammeren tussen wolven. Jezus zegt het zelf: "Ik zend u als lammeren tussen wolven." Dan moet je toch niet aan zelfbescherming doen, nee, juist het tegenovergestelde: de pantsers afleggen, geweldloos leven. Geweld niet beantwoorden met geweld.    

Agressie beantwoorden met agressie, daarvan zegt Jezus, dat dat het gewone menselijke is; dat hoort bij de zonde, dat is de gewone reactie van mensen die leven in de zonde, in de oude schepping. Nee, zegt Jezus, je moet je niet bewapenen, geen agressie beantwoorden met agressie, geweld niet keren met geweld. Het gaat er om een nieuwe schepping te zijn, de wolven, zegt Jezus, tegemoet treden als lammeren. Weerloos, kwetsbaar, zachtmoedig als een lam, zachtmoedig als het Lam Gods. Kies je voor die opstelling, wil je dat, stuur je het aan op die gelijkvormigheid met Jezus, dan komt er vrede in je hart, een inwendige vrede. Door het kruis aan te nemen, door het geweld dat de anderen je aandoen, het onrecht, het tekort, de frustraties, aan te nemen, door te willen lijden in gelijkvormigheid aan Jezus, de Gekruisigde, komt er troost in je hart. Dat betekent een hele nieuwe manier van zijn, dat bloeit in de deugden van nederigheid en zachtmoedigheid. Een nieuwe geest, een nieuw hart.

Jezus houdt ons dat voor, maar het bijzondere van Jezus is, dat Hij dat ook overdraagt, dat Hij ons hart in de eucharistie gelijkvormig maakt aan zijn hart. "Leert van Mij, Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,29). Brood en wijn worden door de kracht van de heilige Geest veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus. Een veel groter wonder heeft Jezus op het oog, namelijk, dat ons hart wordt veranderd van substantie, innerlijk, fundamenteel. Dat ons hart geweld niet keert met geweld, met agressie, maar dat het zachtmoedig wordt en nederig.