Dinsdag in de vijftiende week
      van het even jaar
          Heilige Bonaventura, bisschop en kerkleraar


Eerste lezing: Jesaja 7,1-9 [III 171];
Evangelie: Matteüs 11,20-24 [III 172]


Inleiding  

'De Heer is mijn herder.' Dat was God ook voor de heilige van vandaag, Bonaventura, die zelf als herder, als ministergeneraal van de Minderbroeders, hoog uitstak boven de kudde die hij leidde, en waarin hij de eenheid wist te bewaren. In hem was ook eenheid met God, over wie hij als Godgeleerde nadacht. Het verstand doet splijten, scheiden, onderscheiden en schept daardoor afstand. Als je nadenkt over God, staat God daar niet in. Ik zie Hem, ik zie in, ik overzie, ik heb Hem in mijn greep, dat is allemaal verstandelijke wijsheid. Maar het verstand van Bonaventura was doordrongen van liefde, daardoor dacht hij in liefde over God na. De afstand die het verstand schept, werd steeds overbrugd door eenheid, door liefde.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die dagen begon Jezus
de steden waarin de meeste van zijn wonderen
waren gebeurd, te verwijten,
dat zij zich niet bekeerd hadden.
“Wee u, Chórazin; wee u Betsaïda!
Tyrus en Sidon
zouden reeds lang, in zak en as, zich bekeerd hebben,
indien bij hen de wonderen waren gebeurd,
die bij u hebben plaats gevonden.
Ja, Ik zeg u:
het lot van Tyrus en Sidon
zal beter te dragen zijn op de oordeelsdag dan dat van u.
En gij, Kafarnaüm,
zult gij soms tot de hemel toe verheven worden?
Tot in de onderwereld zult ge neerzinken.
Als in Sodom
de wonderen gebeurd waren die bij u zijn geschied,
het zou tot op de dag van vandaag zijn blijven bestaan.
Toch, Ik zeg u,
Het lot van het land van Sodom
zal beter te dragen zijn op de oordeelsdag dan dat van u.”

Homilie  

In de eerste lezing hebben  we gehoord hoe "de koning van Aram samen met Efraïm en met de koning van Israël optrok tegen Juda." Twee groten tegen één kleintje. De tien stammen van Israël in het noorden trekken samen met de koning van Damascus op tegen de twee stammen, Juda en Benjamin, in het zuiden. Durven ze wel? Maar dan gebeurt het omgekeerde van wat de mensen verwachten. De mensen denken: de grote vis slokt de kleine vis op, de kleintjes delven het onderspit. We zien dat overal ter wereld gebeuren, grote bedrijven kopen de kleintjes op, en als die grote bedrijven zelf dan weer door nog grotere bedrijven worden opgekocht, dan gaat de zelfde wet op. Echter, de wetten van het Koninkrijk van God zijn omgekeerd aan de wetten van het rijk van de wereld. "Al wie zich verheft, wie zich groot maakt, zal vernederd worden”, zal klein gemaakt worden, en “wie zich vernedert, wie zich klein maakt, zal verheven worden" (Mt 23,12; vgl. Lc 14,11 en 18,14). Door wie? Door God! God zal hem groot maken.

Maak je niet groot met eigen kracht, maar leg je lot in de handen van God, van de grote God. Hij is een genadige God. Het is in het verleden in de politiek al zo dikwijls gebeurd dat het de kleinen, die met eigen macht groot waren geworden, naar het hoofd is gestegen, daardoor de kleinen in hun midden zijn gaan minachten. Dat is de ongerechtigheid van Sodom en Gomorra, bekend geworden tot op de dag van vandaag vanwege hun morele verloedering. Het woord 'Sodom' is een woord voor hun zonden geworden: sodomieten. Wat is nu de eigenlijke ongerechtigheid van Sodom? "De ongerechtigheid van Sodom en haar dochters bestond hierin dat ze leefden in een overdaad waar ze trots op gingen en in zorgeloze rust, en zich om de misdeelden en behoeftigen in hun midden niet bekommerden; ze waren hoogmoedig. Wat ze deden was een gruwel in Gods ogen, en daarom heb Ik ze verstoten", zegt God (Ez 16,49.50).

Het lot van Sodom wordt door Jezus ook in verband gebracht met een andere politieke mogendheid: Tyrus. Met deze stad was hetzelfde aan de hand en is het op dezelfde wijze vergaan. Tyrus had zich een vesting gebouwd en zilver bijeengebracht als stof en goud als slijk. Wat zijn nu haar zonden? "Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: dit zegt God de Heer: Gij bent hoogmoedig geworden en ge hebt gezegd: ik ben een god, ik zit op een goddelijke troon, midden op zee. Ofschoon ge maar een mens bent en geen god, hebt ge gemeend goddelijke wijsheid te bezitten. Ja, ge bent wijzer dan Daniël; geen geheim is voor u verborgen. Door uw wijsheid en behendigheid hebt ge rijkdommen verworven en goud en zilver vergaard in uw schatkamers. Omdat ge gemeend hebt goddelijke wijsheid te bezitten, stuur Ik barbaren op u af, de meest geduchte volken. Die zullen hun zwaarden trekken tegen uw majesteit met al haar wijsheid en uw luister zullen ze onteren. In de onderwereld zullen ze u doen afdalen en ge zult een gewelddadige dood sterven, midden op zee" (Ez 28,2-8).

Jezus ziet nu een herhaling van die zonde in de geschiedenis van zijn volk. Eens heeft Hij wat er voor zijn ogen gebeurde in een aanschouwelijke parabel aan ons te zien gegeven. Die parabel gaat over de Farizeeër, die, door de genade van God aan zijn volk bewezen, zich de gerechtigheid heeft kunnen eigen maken door de wetten te onderhouden die ook door God gegeven zijn, en nu, overtuigd van eigen gerechtigheid, andere mensen minachtte die er niet zo goed in geslaagd waren de wetten en geboden te onderhouden. Hij liep in de tempel tot aan het heiligdom en hij sprak met opgeheven hoofd en opgeheven handen, zoals de Joden plachten te bidden: "God, ik dank U dat ik niet zo ben als de rest van de mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar daar. Ik vast tweemaal per week en geef tienden van al mijn inkomsten" (Lc 18,11.12). Hier is de rijkdom een morele rijkdom: goede opvoeding, talenten, sociale vaardigheden, een hoge positie in de samenleving en/of in de Kerk. Meer hebben is gevaarlijk, maar ook meer zijn, want vanuit dat meer zijn, je meer voelen dan een ander, ga je neerkijken op die ander. Je voelt je méér dan een gewoon mens, méér dan een gewone zondaar zijn, ja, je voelt je een beetje God.

Nu komen de leerlingen van Jezus in Betsaïda, in Chórazim en in andere steden van Galilea, door Jezus uitgezonden om het Koninkrijk van God te verkondigen. Dat zijn leerlingen van die rabbi uit Galilea, uit dat half heidense land, die Zich omringt met tollenaars en zondaars, met vissers, vrouwen en kinderen, ja, zelfs met hen aanligt aan tafel. Zo denken de Farizeeën over Hem. En dat stelletje ongeletterden gaan zo maar in al hun eenvoud naar de mensen toe; ze hebben geen studie gevolgd, ze hebben dus ook geen titel, ze worden niet gedekt door een groep of beschermd door een omgeving, wij zouden zeggen: door een orde of congregatie, en die komen vertellen dat ze zich allemaal moeten bekeren. Daarmee bedoelden ze te zeggen, dat ze allemaal verkeerd bezig zijn, dat ze God weer moeten toelaten in hun leven, dat ze van hun troontje af moeten, dat ze zich nergens op moeten laten voorstaan, niet op geld of goed, maar ook niet op morele rijkdom. Ze moeten niet denken dat zij beter zouden zijn dan de eerste beste zondaar. Allen zijn aangewezen op genade. Zij mogen hun positie best houden, maar zij moeten wel alles beschouwen als ontvangen van God. Het is door zíjn genade.

Om dát te komen vertellen is vragen om moeilijkheden. Geen wonder dat de gevestigde orde daartegen in geweer komt en dat zij die rabbi uit Nazareth wel eens eventjes mores zouden leren.
Wat is het moeilijk, om, als je een positie hebt verworven, een zekere stabiliteit, een verzekerde plaats in je omgeving, om dan niet onderuit te zakken, of je niet te verheffen boven de anderen die nog niet zo ver zijn, die nog zoveel grote gebreken hebben of wat dan ook. Wat is het moeilijk om niet je nestje te gaan bouwen op andermans terrein, om er niet met de geschonken genade van door te gaan, om niet te gaan pronken met de veren die God je geschonken heeft.
Jezus bekleedde de allerhoogste plaats, maar Hij is niet aan de bekoring bezweken, maar Hij heeft Zich vernederd voor grote en kleine mensen. Daarin is Hij ons voorgegaan, opdat ook wij op een goede wijze omgaan met de schatten die God aan ons heeft toevertrouwd.