Donderdag in de vijftiende week
        van het even jaar
Eerste lezing: Jesaja 26,7-9.12.16-19 [III 175];
Evangelie: Matteüs 11,28-30 [III 176]


Inleiding      

'Heel de aarde moge U, Heer God, aanbidden.' Dat geldt niet alleen hier, voor ons kleine groepje, of alleen bij een feestelijke gelegenheid waarbij velen aanwezig zijn, opgeluisterd met grote koren, samengesteld uit de beste van de stad, uit de beste van het land. Wij zijn hier in aanbidding voor de Heer, onze God, en dan is het grootste en mooiste nog te weinig. Heel de aarde wordt opgeroepen God te aanbidden, en pas dan, als heel de aarde God aanbidt, doen wij recht aan zijn Naam, die de Naam is van de Allerhoogste. 'Domine tuo, altissime', Gij, de Allerhoogste.
Als we zo heel de wereld in onze lofzang en in ons aanbiddingsgebed betrekken, op kortere of langere afstand, - eens zal het gebeuren dat heel de aarde God een lofzang brengt - kunnen wij dat nu meer gemotiveerd doen. Eerst aanbidden, dan nuttigen, zegt Augustinus. Hem aanbidden, die door heel de wereld aanbeden mag worden.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Op zeker ogenblik nam Jezus het woord en sprak:
“Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt,
en Ik zal u rust en verlichting schenken.
Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij:
Ik ben zachtmoedig en nederig van hart
en ge zult rust vinden voor uw zielen,
want mijn juk is zacht en mijn last is licht.”

Homilie      

“Komt allen tot Mij."
Dat is een geladen uitdrukking, vol van zin. Dit komen is niet het vrijblijvende komen van 'kom eens kijken'. Het is niet het komen van de komende en de gaande man, of van 'het was daar een komen en gaan'. Tot Mij komen betekent hier in dit evangelie Jezus' leerling worden. 'Komt', 'wordt mijn leerling'. Zoiets wat Johannes zei toen Jezus bij hem kwam om Zich door hem te laten dopen. "Ik heb úw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?" (Mt 3,14). U stelt Zich op als leerling ten opzichte van mij?!

Als wij dus, zoals vandaag in het evangelie, worden uitgenodigd om bij Jezus te komen, vraagt dat meer van ons dan: hier zijn we, en wat krijgen we nu? Of: we kunnen er weer tegen; we komen en zijn gekomen om weer te gaan, om weer ons eigen leven te leiden. Nee, als we worden uitgenodigd om bij Hem te komen als zijn leerling, legt dat beslag op héél ons leven. We komen om te blijven. We komen om zijn leerling te zijn en te blijven. En wie worden er nu vandaag uitgenodigd om Jezus' leerling te zijn? "Die uitgeput zijn en onder lasten gebukt", zij die geplaagd worden door de lasten van het leven.

Gisteren waren het de kinderen, eigenlijk de onmondigen, die nog helemaal niet kunnen spreken, de sprakelozen, en vandaag zijn het de mensen die op een andere wijze tegen hun grenzen aanlopen, "uitgeput en onder lasten gebukt." Je zou het, in de teneur van het evangelie van vandaag, kind-zijn kunnen noemen, een gecontinueerde noodsituatie, geen moment waarin je niet een ander nodig hebt. En als die ander niet tussenbeide komt, is het einde daar. Zoiets is het wat mensen kunnen beleven wanneer ze uitgeput zijn en onder lasten gebukt. Of zoals de profeet Jesaja het zei: "Gij, Heer, zijt het die men gaat zoeken in nijpende nood." Het kind-zijn en het in-nijpende-nood-zijn, onder lasten gebukt gaan, dat is de situatie waarin God Zich kan openbaren. Hoe zou God Zich aan ons kunnen openbaren als degene die de lasten verlicht, als wij niet onder lasten gebukt gaan? Hoe zou God Zich kunnen openbaren als degene die het leven geeft, als wij niet zijn in de toestand van kinderen die het leven ontvangen, als wij niet ontvankelijk zijn, maar zelfgenoegzaam?

Nood, uitputting, grenservaring, maken mensen ontvankelijk voor God. En als God Zich opent voor mensen, geeft Hij hun rust en verlichting. U vraagt zich nu misschien af: neemt Hij dan de lasten van ons af, maakt Hij een eind aan de kwelling, geeft Hij verlichting van het programma, neemt Hij onze gebreken weg, waaronder wij gebukt gaan, en die van onze medemensen? Nee, zegt Jezus, Hij voegt er zelfs nog een juk aan toe. "Neemt mijn juk op uw schouders.” Hij voegt er nog een last aan toe, maar dat is een last waaronder je niet gebukt gaat, maar een last die  je “rust en verlichting schenkt."

"Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart." Het zijn dezelfde lasten, maar op een andere manier gedragen. Lasten drukken de mensen terneer, en, omdat zij zelf een tegenstrevende kracht hebben, omdat zij zelf er tegenin gaan, zo van: 'ik wil er vanaf, waarom moet ik dat nu dragen, komt er dan nooit een eind aan, anderen hebben het zo gemakkelijk', ontstaat dat drukkende gevoel. Maar als je nu van Jezus leert om het te dragen met een zachtmoedig en nederig hart, zoals Hij dat heeft voorgedaan, dan ga je met die beweging mee, met de beweging van zijn Hart en dan kómt er rust en verlichting.

Als mensen lasten krijgen opgelegd, dragen ze die maar zelden op de goede manier. Ze dragen ze verkeerd, ze maken zich er vanaf, of ze maken zich hard om het niet meer te voelen, ze verharden zich. Maar zo moet het niet. Je moet de last van het juk willen voelen, de last van jezelf en de last van je medemensen voelen, tot op de bodem van je hart, om daar in vereniging met Jezus' Hart het gevoel van zachtmoedigheid en nederigheid te krijgen. Zo openbaart God Zich aan mensen door een goddelijke manier van lasten dragen.
Op die wijze gaat Hij hier onder u voor. Zo blijft Hij onder u aanwezig in het heilig Sacrament, vandaag op donderdag. Moge u doorgaan met waarmee u nu begonnen bent: van Hem te leren zachtmoedig en nederig de lasten van uw leven te dragen.