Maria op zaterdag
Eerste lezing: Micha 2.1-5 [III 179];
Evangelie: Matteüs 12,14-21 [III 180]
Inleiding
We vieren Maria op Zaterdag. Zij wordt in de hoogte gestoken. Zij is degene die de Koning heeft gebaard die hemel en aarde regeert in de eeuwen der eeuwen. Maar aan haar verheffing kunnen wij haar vernedering aflezen. De hoogte van haar verheffing is de diepte van haar vernedering, want wie zich vernedert, hij of zij zal verheven worden door God. Peilloos is de hoogte waartoe zij verheven werd, peilloos de diepte waarin zij zich heeft vernederd. Dat is wat we van Maria kunnen leren, maar wat we natuurlijk bij iedere eucharistie leren van Jezus. Hij die hemel en aarde heeft geschapen, heeft Zich tot onder de mensen vernederd. Daarom heeft God Hem hoog verheven.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd verlieten de Farizeeën de synagoge
en smeedden plannen om Jezus uit de weg te ruimen.
Maar omdat Jezus dit wist trok Hij vandaar weg.
Velen volgden Hem en Hij genas ze allen.
Hij drukte hen echter op het hart Hem niet bekend te maken,
opdat in vervulling zou gaan
het woord door de profeet Jesaja gesproken:
Zie, mijn Dienaar die Ik heb verkoren,
mijn Welbeminde, in wie mijn ziel behagen vond.
Ik zal mijn geest op Hem doen rusten,
Gods wet zal Hij verkondigen aan de volkeren.
Hij zal twisten noch schreeuwen
en op straat zal men zijn stem niet horen.
Een geknakt riet zal Hij niet breken
en een smeulende vlaspit niet doven,
voordat Hij Gods wet ter overwinning heeft gevoerd;
en op zijn Naam zullen de volkeren hopen.
Homilie
De Farizeeën verlieten de synagoge en smeedden plannen om Jezus uit de weg te ruimen." Zo ging het in Jezus' dagen. Zo ging het met Hem, en zo ging het met de kleine mensen, de armen van Jahweh, in de dagen van de profeet Micha, zoals we in de eerste lezing hoorden. De machtigen gebruiken hun macht tegen de kleine mensen van hun eigen volk. "Begeren zij akkers dan roven zij die, begeren zij huizen, dan nemen ze die. Ze leggen beslag op de man en zijn huis, op de bezitter en op zijn bezit." Het is erg dat mensen elkaar zoiets kunnen aandoen. Wee, als je aan de machtigen bent uitgeleverd. Maar hoe erg het ook is wat mensen elkaar aandoen, belangrijker is het wat Jezus doet, hoe Jezus reageert op het kwaad dat men Hem aandoet. Vandaag hebben we gehoord hoe Jezus reageert: "Hij trok vandaar weg omdat Hij wist dat de Farizeeën plannen smeedden om Hem uit de weg te ruimen."
We zijn in het evangelie van Matteüs aangekomen in het twaalfde hoofdstuk, eigenlijk nog maar aan het begin van Jezus' openbare leven. Toen was het dus al dat Hij met doodsdreiging te maken kreeg. En onder die doodsdreiging heeft Jezus zijn hele openbare leven, van het begin tot het einde, geleefd. We stellen ons dat wel eens gemakkelijk anders voor, zo van dat Jezus daar in Galilea een soort idylle heeft beleefd, en dat Hij pas aan het einde van zijn openbare leven, vanaf dat Hij naar Jeruzalem ging, tien verschrikkelijke dagen heeft beleefd. Zoals de laatste tien dagen van Jezus' leven ons wordt voorgehouden in de film van Mel Gibson. Maar het einde was er al aan het begin. Jezus is het Lam, het Offerlam, het Paaslam. We zijn zo gewend aan Jezus' reactie op het kwaad, en we zeggen zo gedachteloos: 'Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt', wegdraagt, verdraagt. We verbazen ons er niet meer over. We zouden iets moeten hebben van de verbazing van de hoveling van de koningin van Ethiopië, die op zijn terugreis naar Ethiopië gezeten in zijn reiskoets hardop - zoals men in die dagen gewend was hardop te lezen - uit de profeet Jesaja aan het lezen was. En wat las hij dan? "Als een schaap werd Hij ter slachtbank geleid; en evenals een lam, stom tegenover zijn scheerders, opende Hij zijn mond niet. Door zijn vernedering is zijn vonnis voltrokken. Wie zal zijn geslacht kunnen beschrijven? (Hnd 8,32-34; vgl. Js 53,7-8). De man was stom van verbazing en hij wilde weten van wie de profeet dat zegt. Van zichzelf of van een ander? Dat vroeg hij dan ook aan Filippus die hem dat, lopende naast zijn reiskoets, hoorde lezen. En uitgaande van deze tekst verkondigde Filippus Jezus" (Hnd 8,35). Het ging over Jezus, over zíjn vernedering.
Ook bij Petrus is de verbazing te horen, en zeker op het moment dat hij zijn brief schrijft aan de pasgedoopten. "Jezus heeft geen zonde gedaan en in zijn mond werd geen bedrog gevonden. Als Hij gescholden werd, schold Hij niet terug. Als men Hem leed aandeed, uitte Hij geen dreigementen. Hij liet zijn zaak over aan Hem, die rechtvaardig oordeelt" (1 Pe 2,22-23). Hij geeft hier een samenvattende beschrijving uit een heel stel feiten die hij in het openbare leven van Jezus had meegemaakt. Zo'n feit zoals wij hier in dit evangelie hebben gehoord. We zien het als het ware voor onze ogen gebeuren. "Ze smeedden plannen om Jezus uit de weg te ruimen en Hij doet niets. Hij ging vandaar weg, omdat Hij dit wist. Hij gaat er niet tegenin, Hij beantwoordt het ene moordplan niet met het andere, Hij bedenkt geen strategie, Hij stelt geen macht tegenover macht, geweld tegenover geweld, zo van: Ik zal ze wel krijgen. Nee, integendeel, want met wat voor soort gevoelens trekt Hij weg? Hij zal twisten noch schreeuwen en op straat zal men zijn stem niet horen. Een geknakt riet zal Hij niet breken en een smeulende vlaspit niet doven voordat Hij Gods Wet ter overwinning heeft gevoerd. Zo wil Hij dat ook zijn volgelingen doen. Velen volgden Hem en Hij genas ze allen. Hij drukte hen echter op het hart Hem niet bekend te maken." Wat zou er nu meer voor de hand liggen dan dat Jezus zich een achterban zou gaan vormen, een leger van mensen die het voor Hem zouden opnemen, die een vuist zouden maken, waar zijn tegenstanders bang voor zouden worden. Maar nee, niets daarvan. Hij is als een lam.
"Hij zal twisten noch schreeuwen
Een smeulende vlaspit niet doven." Dat doet Hij zelfs bij zijn tegenstanders niet. Deze hebben nog maar een klein beetje geloof, een klein beetje goede wil en dat wil Hij niet uittrappen. Hij wil niet hard tegen hard spelen, en ze ook niet in hun eigen vet gaar laten koken. Nee, Jezus gaat weg, wachtend op een betere tijd. Hij zorgt voor niet nog meer verharding van de standpunten, maar Hij last een soort 'time out' in, een soort pauze in de strijd, opdat ze zich van binnenuit, uit vrije wil, zouden bekeren langs de weg van de zachtmoedigheid, van de lijdzaamheid, van de verdraagzaamheid, van het respect.
Stel je voor dat iemand je iets heeft aangedaan. Hij heeft je voor de gek gehouden, om de tuin geleid, je erin laten lopen. Of iemand heeft je zo maar iets afgenomen waar je meent recht op te hebben. In plaats van te gaan zitten mokken, of vanuit je hart moordplannen te laten opstijgen, zo van in je hart bedenkend hoe je die ander het leven onmogelijk kunt gaan maken, komen er in je hart alleen maar - zo moeten we ons dat bij Jezus voorstellen - gedachten van liefde, van mededogen, van deernis, van welwillendheid om die ander te helpen. Laat ik nu maar even niets zeggen waarmee ik die ander misschien breek, waarmee ik hem schade berokken. "Leert van Mij", zegt Jezus, en we zien het Hem hier zelf in praktijk brengen, "leert van Mij, Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,29).
Langs die weg heeft Jezus zijn bitterste vijanden tot bekering gebracht. En zo moge Hij ook ons tot bekering brengen.