Dinsdag in de vijftiende week
       van het even jaar
                             Heilige Henricus


Eerste lezing: Jesaja 7,1-9
Evangelie: Matteüs 11,20-24


Inleiding      

Vandaag vieren we de gedachtenis van de heilige keizer Henricus. Hij leefde in de tiende / elfde eeuw. Tijdens zijn leven richtte hij verscheidene bisdommen op. Hij had sterke banden met de orde van Cluny. Hij ondernam een veldtocht naar Zuid Italië, en toen hij op de terugweg ziek werd, verbleef hij tijdens zijn ziekte in een benedictijner klooster. Zo is hij door paus Pius X als leek patroon gemaakt van de benedictijner oblaten. Op een hoge post, met veel macht, heeft hij die macht niet gebruikt voor zichzelf, maar in dienst gesteld van het koninkrijk van God, om ons te leren de kleine macht die wij hebben, als koningen van ons kleine rijkje, om die niet voor onszelf te gebruiken, maar in dienst te stellen van het koninkrijk van God. Dat God Koning is.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die dagen begon Jezus
de steden waarin de meeste van zijn wonderen waren gebeurd,
te verwijten, dat zij zich niet bekeerd hadden.
“Wee u, Chórazin; wee u Betsaïda!
Tyrus en Sidon
zouden reeds lang, in zak en as, zich bekeerd hebben,
indien bij hen de wonderen waren gebeurd,
die bij u hebben plaats gevonden.
Ja, Ik zeg u:
het lot van Tyrus en Sidon
zal beter te dragen zijn op de oordeelsdag dan dat van u.
En gij, Kafarnaüm,
zult gij soms tot de hemel toe verheven worden?
Tot in de onderwereld zult ge neerzinken.
Als in Sodom
de wonderen gebeurd waren die bij u zijn geschied,
het zou tot op de dag van vandaag zijn blijven bestaan.
Toch, Ik zeg u,
Het lot van het land van Sodom
zal beter te dragen zijn op de oordeelsdag dan dat van u.”

Homilie    

“Wee u, Betsaïda!"
Bij zo'n 'wee'roep kon men zich destijds niets voorstellen. Betsaïda was allerminst een stad om wee over te roepen, het was een stad die het binnen de verkondiging van Jezus juist goed gedaan had. Betsaïda is een stad waar roepingen vandaan komen. Filippus was van Betsaïda, en ook Andreas en Petrus kwamen er vandaan, drie leerlingen, drie apostelen.
Ook Kafarnaüm staat in dat rijtje steden die Jezus verweet dat zij zich niet bekeerd hadden, en die stad was nog wel door Jezus uitgekozen om er te wonen! "Met voorbijgaan van Nazaret vestigde Jezus Zich te Kafarnaüm” (Mt 4,13). De mensen uit Kafarnaüm konden dus met recht zeggen: “In uw tegenwoordigheid hebben wij gegeten en gedronken, in onze straten hebt Gij onderricht gegeven.” En over deze twee steden zegt Jezus vandaag: “Wee u."

In de eerste lezing worden geen steden, maar landen tegenover elkaar gesteld. Aan de ene kant Juda, de naam voor die twee kleine stammen: Juda en Benjamin, in het zuiden van het bijbelse Israël, en aan de andere kant Aram, Syrië, samen met Israël de tien stammen in het noorden. Kunnen ze wel, deze twee groten tegen dat ene kleintje? Maar zo gaat het wel in het mensenleven. En wat zegt God? Hij zegt het omgekeerde van wat je zou denken. Waar het goed gaat, waar succes is, zegt Hij: 'wee u; wee u begenadigde mensen.'

Als het je goed gaat, wees dan voorzichtig. Sluit je niet op in je succes, in de genade. Beschouw het niet als je bezit, maar beleef genade als een gave van God, beleef het goddelijke in de genade, het is niet iets van jezelf, je eigen prestatie, of een beloning waar je recht op hebt, iets dat altijd zo moet blijven. Nee, gaat het je goed, wees voorzichtig, want voor je het weet ben je gevallen. "Wie meent te staan, moet oppassen dat hij niet valt” (1 Kor 10,12). Gaat het je daarentegen slecht, lig je eruit, groeit een ander je boven het hoofd, voel je je klein, kun je er niet meer tegenop: “Blijf maar rustig, wees niet bevreesd en laat uw hart niet onthutst worden om die twee rokende stompen brandhout." God voorziet - de profeet spreekt namens Hem - God voorziet dat ze zullen vergaan.

Zo gaat het niet alleen met steden en landen, zo gaat het ook met mensen. De les voor ons is: let niet op de buitenkant. Of het je goed gaat of slecht, Gods gedachten staan altijd dwars op die van ons, van de mensen. Of het je goed gaat of slecht, richt je op de Heer. Bekeer je, geloof! "Als gij niet gelooft, dan houdt gij geen stand."

Alleen de Heer is in staat ons toekomst te geven en Hij is ons genoeg. Hij is bij de kleinsten. Wie is vandaag de kleinste in uw gemeenschap? Eén van de oudere zusters van uw communiteit die zwak is of misschien wel op sterven ligt? Dag en nacht is er iemand bij haar. Zo doen de mensen, want zo doet God. Het ontspringt aan een religieuze inspiratie. Bij de kleinsten is Hij het meest, bij het kleine volkje Israël, het kleinste van alle volken, bij de kleine dienstmaagd Maria.
Klein zijn kan beleefd worden als iets heiligs, als een ontmoeting met God, naar wie je opstijgt door af te dalen langs treden van nederigheid. Loop niet weg van de plaatsen, de situaties, waarin je klein bent. Zet je niet schrap, denk niet: hoe kom ik eruit, hoe kom ik eraf? Kijk nu eens omlaag, nog lager en nog kleiner. "De kleinste in het Rijk der hemelen is groter dan de grootste die uit vrouwen is geboren", zegt Jezus (Mt 11,11; vgl. Lc 7,28). Zou Jezus daarmee niet op Zichzelf doelen? Hij, de kleinste!

Zo staat Hij hier in ons midden. Hij maakt Zich klein, Hij laat Zich klein maken, zo klein als geen kleine onder ons ooit zal kunnen worden. Daarom is Hij een ontmoetingsplaats van God, door de verrijzenis is God zelf met zijn kracht in Hem aanwezig, en door Hem ook onder ons.