Eerste lezing: Exodus 11.10-12,14
Evangelie: Matteüs 12,1-8
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
Eens ging Jezus op een sabbat door de korenvelden;
zijn leerlingen nu kregen honger
en begonnen aren te plukken en te eten.
De Farizeeën zagen dat en zeiden tot Hem:
Uw leerlingen doen daar iets wat op sabbat niet geoorloofd is.
Hij gaf hun ten antwoord:
Hebt gij niet gelezen wat David deed
toen hij en zijn metgezellen honger kregen?
Hoe hij het huis van God binnenging en de toonbroden opat
die noch hij, noch zijn metgezellen, maar alleen de priesters mochten eten?
Of hebt gij niet in de Wet gelezen,
dat de priesters elke sabbat in de tempel de sabbat schenden
en toch niet schuldig zijn?
Ik echter zeg u:
Hier is meer dan de tempel.
Indien het maar tot u doorgedrongen was wat het zeggen wil:
Ik wil liever barmhartigheid dan offers,
dan zoudt gij deze onschuldigen niet veroordeeld hebben.
Want de Mensenzoon is Heer van de sabbat.
Homilie
De Joden eten het paaslam. Zijn leerlingen nu kregen honger en begonnen aren te plukken." David ging samen met zijn metgezellen het huis van God binnen en at de toonbroden op. En de priesters schenden de sabbat niet door te eten op sabbat. En wij hier? Wij eten en drinken.
Het is allemaal eten wat de klok slaat. Het menselijke leven hangt van eten en drinken aan elkaar. Daar begint het mee en daar eindigt het mee. Als iemand niet meer kan eten, of vooral niet meer kan drinken, houdt het op. Er moeten ook mensen zijn die voor dat eten en drinken zorgen. En als God een God van mensen is, een God van een mensenvolk, zal Hij dus ook voor eten en drinken moeten zorgen. En dat doet Hij ook.
Maar bij dat eten en drinken gaat het natuurlijk niet om dat eten en drinken zelf. Wanneer ouders voor hun kleintje zorgen, het eten en drinken geven, is wat daarbij komt nog veel belangrijker, en dat is de liefde. Meer dan de bezorgers van voedsel en drinken zijn ze voor hun kinderen ouders; in dat voedsel geven ze iets diepers, iets wat onzichtbaar is, maar heel goed waarneembaar: hun liefde, en dat is altijd meer. Zo is Jezus ook altijd méér dan de tekenen die Hij stelt. Zijn wonderen, de wonderen van zijn voorzienigheid, zijn tekenen, tekenen van barmhartige liefde.
Dat zien we vandaag in het evangelie. "Zijn leerlingen nu kregen honger en begonnen aren te plukken." Je moet niet denken dat ze zomaar, wandelend door de korenvelden af en toe een aartje plukten, maar ze plukten op grote schaal, zodat zij daarmee inderdaad hun honger konden stillen. Mocht dat zomaar? Was dat, nog afgezien van het sabbatverbod, geen stelen? Nee, dat was het niet. Het was oogsttijd, ze liepen langs korenvelden die pas gemaaid waren, en wat de maaiers hadden laten staan, was voor de armen. Jezus en de zijnen waren arm en ze leefden niet van een uitkering, die had je toen niet. Je zou zeggen: ze leefden van de uitkering van de goddelijke voorzienigheid. Ze leefden uit Gods vaderhand. Ze leefden van wat God hun gaf.
Het aren plukken was al een vorm van werken, wat niet mocht op de sabbat, maar daarna gingen ze die aren ook nog eens met de handen stuk wrijven, en dat mocht helemaal niet. Op sabbat mocht je wel eten, het was de Joden niet verboden op sabbat te eten, maar ze mochten het eten niet klaarmaken, en dat is wat de leerlingen deden. Daar vielen de Farizeeën over.
Jezus neemt zijn leerlingen in bescherming. Je zou je kunnen afvragen: Hij, die een hele menigte van brood kon voorzien, kon toch ook wel voor zijn leerlingen zorgen? Jawel, maar Hij is méér dan alleen maar voedsel. Hij is vóór alles meer. Jezus is Jezus. Hij is de verborgen aanwezigheid van God in het openbaar onder de mensen. Hij is de zelfmededeling van God, zijn Woord, zijn laatste definitieve Woord, dat Hij geeft aan de mensen. Er staat immers in de Schrift: "Een mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat voortkomt uit de mond van God" (vgl. Mt 4,4). God kan zo vervullend en verzadigend zijn, dat de behoefte aan eten gewoon niet meer in je opkomt. En als eten en drinken je komen te ontvallen, als je niet meer kunt eten of drinken, leef je niet minder, maar leef je meer van het eeuwige leven van God, van zijn Woord, dat zo vervullend en verzadigend is dat je nooit meer hóéft te eten en te drinken, dan leef je van Hém. Op die toekomstige toestand, dat wij leven van God en van God alleen, spelen wij nu, in de heilige eucharistie, in.