Donderdag in de vijftiende week
        van het oneven jaar
               

Eerste lezing: Exodus 3,13-20
Evangelie: Matteüs 11,28-30


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs


Op zeker ogenblik nam Jezus het woord en sprak:
“Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt,
en Ik zal u rust en verlichting schenken.
Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij:
Ik ben zachtmoedig en nederig van hart;
en gij zult rust vinden voor uw zielen,
want mijn juk is zacht en mijn last is licht.”

Homilie  

Mozes vraagt naar zijn Naam. “Als ik bij de Israëlieten kom en hun zeg: de God van uw vaderen zendt mij tot u, en zij vragen: hoe is zijn Naam, wat moet ik dan antwoorden?" Ik kan toch niet blijven zeggen: de God van uw vaderen. U moet toch een naam hebben! Maar God heeft geen naam. Onze God tenminste heeft geen naam, Hij heeft een naam die boven alle namen is. De naam die wij van God gekregen hebben voor Jezus, is eigenlijk ook niet een naam, het is eigenlijk meer een gebeuren: 'Joshua', 'Jezus', 'God redt'. En dat redden doet Jezus eigenlijk ook niet zelf, maar zijn Vader. Als God dan antwoord geeft op die vraag: 'hoe is uw Naam?', is dat een heel merkwaardig antwoord: 'Ik-ben-die-is', 'Jahweh'. Dat ís geen naam. Het is een antwoord, een tegemoetkomen aan het gevoel van bedreiging, van vrees, dat bij ons opkomt als iemand zijn naam niet wil zeggen. Als iemand zich niet wil identificeren, voert hij iets in zijn schild, dan heeft hij bedoelingen die niet aan het licht mogen komen.
God verschijnt, Hij stelt Zich tegenwoordig, maar Hij zegt niet wie Hij is. Hij noemt zijn naam niet. Daar heb je toch recht op! Maar het antwoord op de vraag: 'Hoe is uw naam?' is een geruststelling: 'Wees maar niet bang.' Je bent natuurlijk bang voor Mij als Ik mijn naam niet wil uitspreken, maar wees maar niet bang, Ik ben er. Ik ben de Aanwezige. Ik ben er voor u. "Dit moet gij de Israëlieten zeggen: De Heer, de God van uw vaderen, de God van Abraham, Isaäk en de God van Jakob zendt mij tot u." Hij die er altijd is geweest voor uw vaderen, de altijd grote Aanwezige in hun leven, in hun zwerven, in het doen en laten van uw vaderen, in heel hun wonderlijk lotgeval, is nu hier. De familieheilige, om het zo maar eens te zeggen, de vertrouweling, die geborgenheid schenkende kracht, die er altijd was bij uw vaderen, is nu hier, en zal er altijd zijn.

Hij is niet zomaar aanwezig, zoals de dingen aanwezig zijn, de bergen, de rivieren, de planten, de bomen, de stenen, en zoals ook de mensen aanwezig zijn. Maar hoe verschillend kunnen mensen er zijn. Ze kunnen een aanlokkende, verleidelijke, aantrekkelijke en aantrekkende aanwezigheid hebben, ze kunnen ook een afstotende, een gesloten aanwezigheid hebben, een aanwezigheid die buitensluit, op een afstand houdt, een aanwezigheid die afweert. Ze kunnen een aanwezigheid hebben waar niets van uitgaat, of een machtige aanwezigheid waar je niet omheen kunt. Maar de aanwezigheid van God, die verborgen aanwezigheid, die zo vertrouwelijk was voor de vaderen van het geloof, zo vertrouwenwekkend voor Abraham, Isaäk en Jakob, was een aanwezigheid voor mensen, in functie van mensen. Hij was er voor hen, voor de mensen van het eigen volk, van de eigen stam, die God. Zo begint het geloof bij ons ook, God is eerst de God van onze pappie en mammie, de God die door vader en moeder aanbeden en vereerd wordt, aan wie vader en moeder zich uit handen geven. Pas later wordt Hij ook míjn God. Dan wordt Hij ónze God, de God die zorg voor ons draagt: 'want Ik zie wat men u in Egypte aandoet'. Hij is dus een liefdevolle, een meelevende aanwezige. Dat had je nooit kunnen dromen, dat er Iemand is die weet wat er met je gebeurt, en niet op een manier dat het allemaal genoteerd wordt, zoals in het geheugen van een computer. Nee, Hij is met zijn Hart bij je. Hij leeft met je mee. Hij gaat er wat aan doen. 'Ik zal u bevrijden.' 'Ik zal u uit de ellende van Egypte wegvoeren.'

Zo'n aanwezige is God. Geloven is nu dat je je aan die Aanwezige toevertrouwt, dat je er vertrouwen in hebt dat Hij zijn beloften ook waarmaakt. En als je ziet dat Hij het waarmaakt, gaat je vertrouwen in Hem groeien, en gaat Hij nog meer waarmaken. Zo groeit het geloof, zo groeit Gods aanwezigheid in de wereld. Het hangt dus mede af van onze openheid, van onze ontvankelijkheid.

En nu Jezus. Die geruststellende, zorgende en bevrijdende Aanwezige. "Komt allen tot Mij." Kom maar tot die Aanwezige, stel je maar voor Hem open. "En leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart." Het is dus niet alleen een machtige en meelevende Aanwezige, maar het is tegelijkertijd een zachtmoedige en nederige Aanwezige. Het is zo'n uitstralende kracht, die zachtmoedigheid en nederigheid, dat je zelf ook zo wordt als je op zijn uitnodiging ingaat. "Komt allen tot Mij", met je zorgen, met je lasten. Er gaat zo'n uitstralende, zo'n wervende kracht uit van die zachtmoedige en nederige Aanwezige, dat de lasten van het leven licht worden. De lasten worden je niet afgenomen, ze worden niet minder, nee, je houdt de volle last van het leven, maar de manier van dragen wordt goddelijk, je kunt het dragen met een goddelijke nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. Daardoor wordt het zijn last, Hij draagt mee aan onze last, daarom wordt onze last licht, door de manier van dragen, zachtmoedig en nederig.