Eerste lezing: Amos 7,12-15
Tweede lezing: Efeziërs 1,3-14
Evangelie: Marcus 6,7-13
Inleiding
Vorige week zondag hebben we gehoord, hoe Jezus in Nazareth was. En hoewel Nazareth zijn vaderstad was, werd Hij er niet aangenomen. Ze namen aanstoot aan Hem en aan hetgeen Hij onderrichtte. Hij ging daar dan ook weg. Hij deed dáár wat Hij vandaag tegen zijn leerlingen zegt: "Is er een plaats waar men u niet ontvangt en niet naar u luistert, ga daar dan weg." De leerlingen hebben gezien hoe het Jezus vergaan is en ze zoude het ook zelf gaan ondervinden. Jezus begint opnieuw. Hij begint niet bij zijn familie, omdat Hij het niet wil hebben van wat Hij aan menselijke verbondenheid, steun en solidariteit van hen zou kunnen ontvangen. Hij zoekt daarom twaalf vreemden, mensen die op geen enkele wijze door natuurlijke banden met Hem verbonden zijn. Twaalf vreemden, met wie Hij geen andere band heeft dan de wil van de Vader, worden - om het zo maar eens te zeggen - uit de oude wereld weggeroepen, om met hen een nieuw twaalf-stammen volk te beginnen. Daarom kiest Hij er twaalf.
Zo zijn ook wij hier op deze zondag bij elkaar. Wat ons verbindt, zijn niet bepaalde natuurlijke bindingen, maar wij zijn verbonden door "een goddelijk raadsbesluit van vóór de grondlegging der wereld, zoals Paulus het zegt in de tweede lezing. Wat ons hier verbindt, is iets dat verwijst naar een eindeloze verte, de nieuwe toekomst: het heelal in Christus onder één Hoofd samen te brengen." Het komt van vóór de tijd en het gaat heen naar een ná de tijd.
Hier worden de tekenen daarvan gesteld, de sacramenten gevierd; de toekomstmuziek wordt nu al aangestemd in het doopsel en de eucharistie. Want hier zien wij "het hemelse licht en proeven wij van de hemelse gave (Heb 6,4). Wij worden deelgenoot van de heilige Geest en ervaren de voortreffelijkheid van Gods woord ervaren en de krachten van de toekomstige wereld" (Heb 6,5). Dat is wat wij hier aan ons mogen laten geschieden.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
volgens Marcus
In die tijd riep Jezus de twaalf bij Zich
en begon hen twee aan twee uit te zenden.
Hij gaf hun macht over de onreine geesten
en verbood hun iets anders mee te nemen
voor onderweg dan alleen een stok:
geen voedsel, geen reiszak, geen kopergeld in hun gordel.
Wel moogt ge sandalen dragen,
maar trekt geen dubbele kleding aan.
Hij zei verder: Als ge ergens een huis binnengaat,
blijft daar tot ge weer afreist.
En is er een plaats waar men u niet ontvangt
en niet naar u luistert, gaat daar dan weg
en schudt het stof van uw voeten als een getuigenis tegen hen.
Zij vertrokken om te prediken dat men zich moest bekeren.
Zij dreven veel duivels uit,
zalfden veel zieken met olie en genazen hen.
Homilie
In die tijd riep Jezus
" We zijn hier getuigen van een roepingsgebeuren. Het gebeurt voor onze ogen. Wat gebeurt er dan? "In die tijd riep Jezus de twaalf bij Zich." Roeping is altijd dat Jezus roept en dat Hij tot Zich roept. Jezus riep de twaalf bij Zich. Roeping is dus niet een op zichzelf staand iets, het is niet los verkrijgbaar. We spréken wel over roepingen, roepingencrisis, roepingenpastoraal, mensen hebben een roeping, er wordt gebeden voor roepingen, roeping voor dit, roeping voor dat, maar zoiets komt in het evangelie niet voor. Het evangelie kent alleen maar Jezus die iemand roept. En in dat geroepen worden door Jezus, wordt een persoonlijke band aangegaan en wel voor het leven. Want doordat iemand geroepen wordt door Jezus, wordt hij niet geëngageerd tot een zaak, een onderneming, een congregatie, een gemeenschap, een instelling, een werk van barmhartigheid, om dat in stand te houden, of om dat te doen groeien, of om dat weer op de been te helpen, nee, Hij roept je om wat Hij is. Hij roept je bij Zich.
"In die tijd riep Jezus de twaalf bij Zich, of zoals er in een andere roepingencontext staat: Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen (Mc 3,14). En ze kwamen bij Hem. De roepstem van Jezus volgen, leidt er toe dat je bij Hem komt, bij Hem bent. Zo werden de eerste leerlingen dan ook steeds geroepen: Komt, volg Mij (Mt 9,9; vgl. Mc 2,14;Lc 5,28). Daar staat dan eigenlijk nog een woord bij: 'achter Mij aan.' Dat is tot ons allemaal gezegd. Of tot de rijke man: Verkoop wat je bezit, geef het (geld) aan de armen, en kom dan terug om Mij te volgen" (Mt 19,21; vgl. Mc 10,21; Lc 18,22). Het lijkt of er verder helemaal niets gebeurt, maar het eigenlijke gebeurt in het geroepen worden. En zo geldt dat voor ons allemaal. Het is namelijk niet zo, dat geroepen worden door Jezus alleen maar zou zijn voor mensen die zogenaamd geroepen worden voor dit of dat, dat zij de eigenlijke geroepenen zijn en dat de anderen dat niet zijn. Nee, zo is het niet, want nadat Jezus behalve zijn leerlingen ook het volk bij Zich had laten komen, sprak Hij tot hen: "Wie mijn volgeling wil zijn, - dat zegt Hij dus tot iedereen - moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen (Mt 16,24; vgl. Mc 8,34; Lc 9,23). Ook zei Hij tot allen: Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken" (Mt 11,28). Dat alleen al is een verkwikking: worden opgenomen in een persoonlijke band, in een persoonlijke verhouding met Hem. Dát wordt je tot voeding. Hij zal je voeden. Dat was toch de laatste zin van de introïtus zang: 'Werp uw kommer op de Heer, en Hij zelf zal u voeden.' Waarmee? Met Zichzelf!
Alleen als Jezus je bij Zich roept, kun je van alles afstand doen. Van alles wat je onderweg nodig hebt. Ik heb eens iemand horen zeggen: 'Alleen maar als ik weet dat Hij het wil, dat Hij het is die me dat vraagt, kan ik het opbrengen.' Als die persoonlijke band, die liefdesband met Hem er is, dan krijg je er ook de kracht voor, de voeding, om alles achter te laten en Hem te volgen. Hij zal ons voeden met Zichzelf, met zijn aanwezigheid, met zijn zorg. En dat doet Hij steeds weer opnieuw.
In alles wat er voor de roeping en de zending moet worden gedaan en ondernomen, moet je eerst teruggaan naar de Persoon. Het is Jezus die mij tot Zich roept, om mij daarna uit te zenden. Het is een ritme van binnen naar buiten. Het is een opgenomen worden door zijn heilige Geest in het samenzijn van Vader en Zoon, om te worden uitgezonden, uitgeademd, in de zending. Dat is het eigenlijke. Hetgeen Paulus in de tweede lezing zegt, krijgt misschien tegen deze achtergrond een andere klank: "Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in de hemelen in Christus heeft gezegend met elke geestelijke zegening. In Hem heeft Hij ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld. In liefde heeft Hij ons voorbestemd zijn kinderen te worden door Jezus Christus." Wat ons in Jezus tegemoet treedt, komt uit de eeuwigheid, komt uit de hemel en het blijft ook persoonlijk bij ons in de aardse vormgeving. Daar doorheen gaan we een nieuwe toekomst tegemoet, zijn we verzekerd van de toekomst. We voegen ons dus in in de krachten van het komend rijk, dat in de eeuwigheid begint, en een aardse gestalte aanneemt in Jezus en in elke geroepene, in ieder van ons, en het voert ons met die krachten van het komend Rijk naar de toekomstige wereld.
Dat is er allemaal gaande, alleen al doordat Jezus ons tot Zich roept. Die beweging kun je daarom ook nooit overslaan. Die kun je niet missen, want dat is als het ware de drijvende kracht die je telkens over het dode punt moet heen helpen, want er komen in de zending allerlei obstakels voor. Ofwel je komt terecht in het succes, of op drijfzand, of het werk groeit je tot over de oren, of je wordt op handen gedragen, of je komt je eigen gemakzucht tegen, of de gemakzucht van je omgeving, of het klooster liberaliseert of seculariseert, of ze moeten je niet, zoals we dat hebben gehoord van de profeet Amos: "Ziener, u moet maken dat u wegkomt! Verdwijn naar Juda, naar het zuiden, en verdien daar uw brood maar met profeteren. En zoals we vorige week hebben kunnen zien wat Jezus ondervond in Nazareth, in zijn vaderstad. Ze namen er aanstoot aan, en Hij kon daar geen enkel wonder doen" (Mc 6,3.5). Daarom vertrok Hij van daar.
Als je dat overkomt, maak je dan niet bezorgd. Het gaat niet om jou. Je hebt toch gehoord wat de profeet Amos zei: "De Heer heeft mij achter de beesten weggehaald, ik kan het niet helpen. We zijn gezonden door de Heer. Het is de Heer die mij gezegd heeft: trek als profeet naar mijn volk Israël."
Nu gaat dit over een profeet uit een ver verleden. Maar als dat nu jezelf overkomt. En dat kan tegenwoordig bij katholieke gelovigen al heel vroeg beginnen, dat mensen je uitlachen om je geloof. Kleine kinderen overkomt het al, dat ze door hun vriendjes en vriendinnetjes uitgelachen worden als ze naar de Kerk gaan. Daar is toch niks aan. Ben jij misdienaar? Dat is toch niet meer van deze tijd. Zo gaat dat door tot aan de volwassenen toe. Ze kunnen het je lastig maken omdat je van Jezus bent. Ook als je de geboden van God wilt onderhouden, kun je er zo uitliggen. Jezus zegt daarvan, en dat is ook wat Hij in het evangelie van vandaag bedoelt te zeggen: Wees maar niet bang, Ik zorg voor je. Je bent opgenomen in een groot plan, een heilsplan, waarbij alles kan meewerken voor hen die Hem beminnen. Het komt allemaal op z'n pootjes terecht. God trekt aan het langste eind. De liefde van God staat aan het begin en aan het einde. De liefde van God heeft het laatste woord. Op deze aardse weg van hemels begin naar hemels einde geeft Hij ons zijn tekenen, de tekenen van zijn zorg. En dat is niet alleen maar een teken waarbij je je iets moet voorstellen, maar dat teken, - en dat is een sacrament - bevát wat het betekent: zijn zorg, zijn aanwezigheid, zijn liefde. Het is een teken dat Hij je niet in de steek laat, dat Hij je in alle omstandigheden van je leven met zijn persoonlijke aanwezigheid blijft omringen. Dat is ons heilig geloof, en dat willen wij nu uitspreken in het Credo.