Donderdag in de zestiende week
        van het even jaar
                                  Heilige Charbel Maklüf, priester


Eerste lezing: Jeremia 2,1-3.7-8.12-13 [III 187];
Evangelie: Matteüs 13,10-17 [III 188]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd kwamen de leerlingen Jezus vragen:
“Waarom spreekt Gij tot de menigte in gelijkenissen?”
Hij gaf hun ten antwoord:
“Aan u is het gegeven de geheimen
van het Rijk der hemelen te kennen,
maar aan hen is het niet gegeven.
Aan wie heeft, zal gegeven worden, en wel in overvloed;
maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden,
zelfs wat hij heeft.
Als Ik tot hen spreek in gelijkenissen,
dan is het omdat zij, ofschoon zij ogen hebben, niet zien
en ofschoon zij oren hebben, niet horen of begrijpen.
Zo wordt in hen de profetie van Jesaja vervuld die aldus luidt:
Met uw oren zult gij luisteren en toch niet verstaan,
met uw ogen zult gij kijken en toch niet zien.
Want verhard is het hart van dit volk,
met hun oren luisteren ze slecht
en hun ogen doen ze dicht,
uit vrees dat ze zouden zien met hun ogen,
met hun oren zouden horen,
met hun hart zouden verstaan,
zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen.
gelukkig úw ogen, omdat zij zien, en úw oren, omdat zij horen!
Want voorwaar, Ik zeg u:
vele profeten en rechtvaardigen hebben verlangd
te zien wat gij ziet, maar zij hebben het niet gezien;
en te horen wat gij hoort,
maar zij hebben het niet gehoord.”

Homilie      

“Aan u is het gegeven de geheimen van het Rijk der hemelen te kennen."
De parabel van het zaad - waar dit evangelie direct op aansluit - is de parabel van het luisteren. Aan u is het gegeven te luisteren, het woord van God op te nemen in uw hart. De parabel over het luisteren is zelf ook een woord dat beluisterd moet worden, en ook de gelijkenissen waarin Jezus spreekt, moeten in het hart worden opgenomen, moeten met het hart worden verstaan. Luisteren, dat is fundamenteel. Zoals het voor mensen die van de landbouw leven, fundamenteel is dat de grond, de aarde, het zaad opneemt. Mensen in onze streken leven daar niet meer zo mee als de mensen in Jezus' land en tijd. Daar ging het gesprek altijd over hoe de grond was, vruchtbaar of niet, minder of heel vruchtbaar. Het weer en het soort zaad, daar waren ze altijd vol van. Als ze niet meer wisten waarover ze moesten praten, dan konden ze het nog altijd daarover hebben.
Daar speelt Jezus op in: "Luistert en wilt verstaan (Mt 15,10; vgl. Mc 7,14) … “Met uw oren zult gij luisteren” … “Wie oren heeft, hij luistere" (Mt 13,9). Voordat Jezus iets gaat zeggen, spreekt Hij eerst over de gesteltenis van de mensen aan wie Hij iets gaat zeggen.

Stel iemand heeft een hond gekocht. Je komt op bezoek en het beestje wordt vol trots getoond. Het eerste wat je vraagt is: kan hij al luisteren? Als de hond dan zijn kunstjes heeft vertoond, is iedereen tevreden. Als een huisdier niet luistert, waar heb je hem dan voor? Als het beest helemaal beest is, vrolijk ronddartelend naar zijn eigen instincten, waar heb je dat beest dan voor? Met kinderen is het eigenlijk hetzelfde. Als je kinderen niet luisteren, helemaal hun eigen gang gaan, niet reageren op wat je zegt, beleef je daar geen vreugde aan, en dan kunnen ze ook niet geestelijk groeien.

Zo is het ook in de omgang van God met de mensen. De omgang is geblokkeerd geraakt vanaf het moment dat de mensen niet meer naar God luisterden, hun eigen weg gingen, zelf gingen uitmaken wat goed en kwaad is. En als God de communicatie weer op gang wil brengen, is het eerste wat Hij ze moet leren: te luisteren, en ze te wijzen op wat het luisteren kan blokkeren of bemoeilijken, zoals de boer moet weten wat de vruchtbaarheid van zijn land in de weg kan zitten: rotsige bodem, steenharde grond, vogels in de lucht, distels en dorens.
Is het met ons in onze omgang met God ook niet zo, als wij merken dat God naar ons luistert? Staan de psalmen niet vol van kreten van blijde verrassing: "God heeft naar mijn smeken gehoord” ... “Ik riep en Hij heeft geluisterd." Dat er geluisterd wordt is de spil van elke communicatie. Veel moeilijkheden in de omgang tussen mensen ontstaan omdat er woorden zijn gezegd die niet zijn opgenomen, die niet zijn verwerkt, die als een steen in het hart zijn gevallen, of die iemand niet heeft wíllen opnemen, zo van: 'dit laat ik me niet zeggen!'

Tegen de leerlingen zegt Jezus dat er mensen zijn die de vermaning om te luisteren in de wind hebben geslagen. Er zijn er die luisteren en er zijn er die niet luisteren. Maar soms zegt Jezus ook: luister maar niet. Ook dát zit in het plan van God. Dat is zo geweest in de eerste fase van de vernieuwde communicatie tussen God en zijn volk, toen God te maken had met farao. Deze wilde ook niet luisteren, want God had het hart van farao verhard. Het paste in Gods plan dat farao niet luisterde. Ook bij de profeten vinden we daar voorbeelden van. God zet zijn plan door met dat kleine stukje grond dat wel vrucht opbrengt.

Die vrucht is het werk van de heilige Geest. Jezus ziet het al helemaal voor Zich: "Gelukkig úw ogen, omdat zij zien, en úw oren, omdat zij horen!" Hij ziet hoe mensen die zijn woord hebben opgenomen, beginnen open te bloeien, er vreugde in vinden. Niet de vreugde van het natuurlijke geluk, maar de zaligheid van de hemel, het geluk van de heilige Geest. Dááraan ziet Jezus dat zijn woord vrucht heeft gezet, aan de vreugde, het geluk. Zoals mensen aan hun baby zien dat het een echt mensenkindje is, als het voor het eerst lacht. De eerste glimlach van het kind, de eerste glimlach van het kind van God! Wanneer wij kunnen glimlachen bij iets wat alleen maar verdriet doet, als wij vriendelijk kunnen blijven kijken, wanneer er zwaar weer is, bij tegenslag, dan is dat de glimlach van het kind van God. De glimlach van het kind wordt opgewekt door de glimlach van vader en moeder. Onze blijdschap, de blijdschap van het kind van God, is het antwoord op Gods blijdschap. God glimlacht naar ons en wij glimlachen terug. Dat is de zaligheid waarvan Jezus spreekt.

Maar er zijn ook mensen die nooit blij zijn, die met een somber gezicht rondlopen, die de zon van Gods liefde maar niet in hun hart willen binnenlaten. Toch mogen we ook daarover glimlachen, want eens zal Gods glimlach ook dat stroeve gezicht tot leven brengen.