Maandag in de zestiende week
       van het even jaar

 Heilige Laurentius van Brindisi, priester en kerkleraar


Eerste lezing: Micha 6,1-4.6-8 [III 181]
Evangelie: Matteüs 12,38-42 [III 182]


Inleiding  

'De Heer is mijn Herder.' Zo'n herder was Laurentius van Brindisi. Hij leefde in de zestiende, begin zeventiende eeuw, een tijd van verwarring. Geloofsverdeeldheid, verschillende leren en opvattingen maakten het volk onrustig. Men wist niet wat men moest denken, wat waar en wat niet waar was. Toen kwam er van Godswege een kerkleraar die aan het volk kon vertellen hoe het was, en dat gaf helderheid en rust. Precies de man van psalm 23 die merkt dat God als een herder rust geeft aan zijn ziel. Daar zijn de mensen in de wereld op aangewezen. Zij leven niet in omstandigheden waar ze direct, onmiddellijk, het woord van God kunnen horen. Ze mogen hun geest laten verlichten door de heilige Geest, dé Kerkleraar bij uitstek en van wie alle kerkleraren het moeten hebben.
Belijden wij dan eerst onze schuld, nu wij in deze bijzondere situatie mogen verkeren om het woord van God direct te mogen horen, dat wij ons zo weinig ontvankelijk hebben opgesteld, dat wij onze oren niet hebben gespitst en tekort geschoten zijn in ontvankelijkheid.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Op zekere dag richtten enige schriftgeleerden en Farizeeën
zich tot Jezus met de woorden:
“Meester, wij willen een teken van U zien.”
Maar Hij gaf hun ten antwoord:
“Een slecht en overspelig geslacht verlangt een teken,
maar geen ander teken zal hun gegeven worden
dan dat van de profeet Jona.
Zoals namelijk Jona drie dagen en drie nachten
verbleef in de buik van het zeemonster,
zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten
verblijven in de schoot van de aarde.
De mensen van Ninive zullen bij het oordeel opstaan
samen met dit geslacht
en het veroordelen,
want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona:
welnu, hier is méér dan Jona.
De koningin van het Zuiden zal bij het oordeel opstaan
samen met dit geslacht
en het veroordelen,
want zij kwam van het uiteinde der aarde
om te luisteren naar de wijsheid van Salomo:
welnu, hier is méér dan Salomo.”

Homilie      

Wat moet de Heer daar nu mee, als “ze voor Hem treden met brandoffers, met eenjarige kalveren?” Wat is dat toch voor een verlangen van de mens om te offeren voor God: “duizenden rammen, en tienduizenden beken olie?” Wat is daar de zin van? Het is een manier, zo wordt er gezegd, om te buigen voor God in den hoge. “Waarmee zal ik voor de Heer treden, mij buigen voor God in den hoge? Zal ik voor Hem treden met brandoffers? Het is een manier om God te behagen. “Zal de Heer behagen vinden in tienduizenden beken olie?"

In het offeren van dieren en in het offeren van de producten van de oogst offert de mens zichzelf aan God. Hij wil daarin zijn eigen leven aan God wegschenken. Hij neemt daarvoor het leven van de dieren, omdat hij zijn eigen leven niet mág wegschenken. Hij mag namelijk zichzelf niet doden. Het eigen leven wegschenken, is de eigenlijke bedoeling achter dat offeren van dieren. Dat geldt ook voor die kinderoffers. "Moet ik voor mijn misdaden mijn eerstgeborene offeren, mijn kind voor de zonden die ik begaan heb?" Toch wordt ook hier weer niet het eigen leven van de zondige mens geofferd, maar het leven van zijn kind, van zijn eerstgeborene. Maar als men bij het offeren van dieren, bij het offeren van wat dan ook, als men bij de viering van Jezus' eigen levensoffer, de eucharistie, niet zichzelf offert, niet zijn eigen leven wegschenkt, mee invoegt in het liefdesoffer van Jezus, dan heeft dat ook geen waarde.
Om zichzelf maar te kunnen blijven vasthouden, dat eigen leven maar niet los te hoeven laten, daarom heeft de godsdienstige mens de neiging om die offers van dieren altijd maar te vermenigvuldigen, altijd maar meer en meer, als een surrogaat. Het is als met inflatie, het geld heeft minder waarde, je geeft er meer van uit, je brengt er meer van in omloop en het gevolg is dat het weer minder waard is. Zo is het ook in de omgang met God.

De spontane religiositeit van de mensen, ook die van de mensen toentertijd in Israël, moest daarom worden gezuiverd, naar haar eigenlijke bedoeling gebracht. "De Heer heeft u gezegd wat goed is, mens, en wat Hij van u verlangt: Hij wil niets anders dan dat gij u houdt aan het recht, dat gij de trouw eerbiedigt en u tegenover uw God ootmoedig gedraagt.” Dit gaat niet over het lichamelijke leven, maar over het innerlijke leven, het gaat over je hart, over zijn heilige wil doen, je eigen wil opgeven, gehoorzamen aan God. “Gaat heen en leert wat het zeggen wil: Ik wil liever barmhartigheid dan offers" (Mt 9,13; 12,7; naar Hos 6.6).

Ook mogen we geen teken eisen. Dat gebeurt in het evangelie van vandaag. "Meester, wij willen een teken van U zien." Het enige dat wij hoeven te doen, is geloven in het teken dat God ons gegeven heeft van zijn liefde: zijn Eerstgeborene. "En zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken?" (Rom 8,32). Wij geven, als het goed is, bij de offerande ons eigen leven mee, onze eigen wil, of datgene wat voor ons op dat moment alles betekent, en daarmee ontvangen wij alles: zijn Eerstgeborene en met Hem al het andere. Wij moeten niet toegeven aan de neiging van de mens om zich door de ander te laten uitdagen: "Meester, wij willen een teken van U zien"; dat deed Jezus ook niet.

In de menselijke omgang is er een voortdurende behoefte om een ander uit te dagen en een voortdurende behoefte om aan die uitdagingen toe te geven, om er op in te gaan, om je een beetje groter voor te doen dan je bent, meer te willen betekenen dan je voorstelt. Steeds weer zijn wij geneigd tekens te geven van grootheid, van kunde, van deugd, of om in de gewone omgang met elkaar iets leuks zeggen, iets gedurfds, iets vrooms, of een prestatie te leveren, iets diepzinnigs te zeggen, kracht achter onze woorden te zetten. We worden voortdurend uitgedaagd om een beetje buiten onze schoenen te lopen, de zaken een beetje te forceren, of zoals dat onder jongeren gebeurt: stoer te doen. We maken ons, door zo te doen, los van onze eigen persoonskern. We voeren op de een of andere manier een kleine vertoning op, met als enig doel de ander te behagen, bij de anderen in het gevlij te komen, naar de mond te praten, naar de ogen te zien.
Het vraagt heel wat om altijd en in alles jezelf te zijn en te blijven, zonder neveneffecten, zonder bijbedoelingen, zonder nevenoogmerken, en altijd te spreken en te handelen vanuit wie je bent, vanuit je verbondenheid met Jezus. Dat kan heel minnetjes lijken in de ogen van de mensen: drie dagen en drie nachten onder de grond. Ze konden over Jezus heenlopen. Maar je haalt er het einde mee, het oordeel van God. Hij zal je verheffen. "Uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden" (Mt 6,4; 6,18).

De nederige, zegt het woestijnwoord, mag niet opvallen door zijn nederigheid, want hierin bestaat de nederigheid: aan de anderen gelijk te zijn. Als men ziet dat u niet opvalt, houden ze u voor gelijk aan iedereen. Eenvoudig in de massa verdwijnen. Maar abt Antonius zei: 'Ik zag alle strikken van de vijand uitgespannen over de aarde en zuchtend sprak ik: Wie komt daar nog langs? En ik hoorde een stem tot mij zeggen: De nederige.'
Hoe kom je nu aan die nederigheid? Die kun je bij Jezus halen. "Leert van Mij, Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,29). Ze konden over Hem heenlopen. Dat is eigenlijk wat we vieren in de eucharistie. Jezus was zo nederig, dat Hij helemaal in het niets kon verdwijnen. In dat gebeuren mogen wij ons nu laten opnemen.