Feest van de heilige apostel Jakobus
Eerste lezing: 2 Korintiërs 4,7-15 [IV 62]
Evangelie: Matteüs 20,20-28 [IV 63]
Inleiding
Heilige Jakobus. Daar zijn er twee van in het apostelcollege: Jakobus major, de meerdere, dat is de heilige van vandaag, en Jakobus minor, dat is de bisschop van Jeruzalem, van wie wij een brief hebben. Deze, Jakobus major, wás ook major, wás ook de meerdere, hij was er het eerste bij om met zijn bloed getuigenis af te leggen van zijn Heer. Hij was om nog een andere reden major, zoals we hem vandaag in het evangelie zullen meemaken. Hij wilde de meerdere zijn, de ereplaats hebben vóór de andere apostelen, maar Jezus zegt: dat is goed, maar de weg daar naartoe, is langs de laatste plaats. De weg naar de eerste plaats gaat via de laatste plaats. En Jakobus heeft zijn lesje geleerd. Hij heeft van zijn Leermeester geleerd: hij is inderdaad via de laatste plaats op de eerste plaats terecht gekomen. Dat kan niet anders dan doordat hij door de heilige Geest in wijsheid en in opnamebereidheid is geschoold.
Beginnen wij dan eerst onze schuld voor God te belijden, dat wij ons zo weinig ontvankelijk hebben getoond voor de lessen van de heilige Geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd trad de moeder van de zonen van Zebedeüs samen met hen op Jezus toe
en wierp zich voor zijn voeten om Hem iets te vragen.
Hij sprak tot haar: Wat verlangt ge?
Ze antwoordde Hem:
Laat deze twee jongens van mij in uw Koninkrijk zitten
een aan uw rechter- en een aan uw linkerhand.
Maar Jezus antwoordde:
Ge weet niet wat ge vraagt.
Zijt ge in staat de beker te drinken die Ik ga drinken?
Ze zeiden Hem: Ja dat kunnen wij.
Hij sprak:
Inderdaad, mijn beker zult ge drinken,
maar het is niet aan Mij u te doen zitten aan mijn rechter- of linkerhand,
omdat alleen zij dit verkrijgen voor wie mijn Vader dat heeft bereid.
Toen de tien anderen dit hoorden, werden zij kwaad op de beide broers.
Jezus echter riep hen bij Zich en sprak:
Gij weet, dat de heersers der volkeren hen met ijzeren vuist regeren
en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen.
Dit mag bij u niet het geval zijn.
Wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn.
En wie onder u de eerste wil zijn, moet slaaf van u wezen.
Zo is ook de Mensenzoon niet gekomen om gediend te worden,
maar om te dienen
en zijn leven te geven als losprijs voor velen.
Homilie
Zitten in uw Koninkrijk aan uw rechter- aan uw linkerhand." De ereplaatsen. Wat is daar nu mis aan? "Ge weet niet wat ge vraagt. Jezus had zelf al aan zijn apostelen beloofd: bij de wedergeboorte zult gij gezeten zijn op de twaalf tronen en heersen over de twaalf stammen van Israël" (Mt 19,28). En nu wordt voor de twee zonen van Zebedeüs speciaal om de twee tronen naast Jezus' troon gevraagd. Ze willen dus meer dan de anderen, een stapje hoger, zich boven hen verheffen. Wat is daar mis mee? Jezus zegt: Niet méér, maar minder. Niet heersen, maar dienen. Geen inspraak willen hebben, maar juist niets te zeggen willen hebben. Moet je daarvoor niet bij Jezus zijn? Verheerlijkt worden, verrijzen, zetelen aan Gods rechterhand? Daar is Hij ons toch zelf in voorgegaan? Is dat er dan niet meer bij? Jawel, maar de manier om er te komen, de manier om carrière te maken in het Rijk, is eerst de laatste willen zijn. Als dat je eerste zorg is, kun je met een gerust hart je plaats in het Koninkrijk aan God overlaten. Daar hoeft zelfs de moeder zich geen zorgen over te maken.
Het is een evangelie vol prestatiezucht, vol van aandrang van menselijke carrièremakers. Het zijn allemaal 'strebers', mensen die het willen maken. Ze willen zich best wel even vernederen. "De moeder van de zonen van Zebedeüs trad samen met hen op Jezus toe en wierp zich voor zijn voeten." Een nederig gebaar, maar de inzet is niet de nederigheid, de inzet is de eer. Nu zijn deze twee echt niet slechter dan de rest. De rest is uit hetzelfde hout gesneden. "Toen de tien anderen dit hoorden werden zij kwaad op de beide broers." We moeten ook niet denken dat dit nu typisch eigen is aan dat apostelcollege. Vissen naar complimenten, uit zijn op eer, graag in middelpunt staan, graag de aandacht willen hebben, dat komt niet alleen in een slotklooster voor, dat zit gewoon in de mens. Jezus bevestigt dat nog eens als een vanzelfsprekendheid. "Gij weet
, het ís gewoon zo. Dat is een ervaringsgegeven, daar kan niemand omheen. Ge weet dat de heersers der volkeren hen met ijzeren vuist regeren en de groten misbruik maken van hun macht over hen." Dat is niet zo omdat de heersers der volkeren slechter zouden zijn dan hun onderdanen, maar omdat er bij de heersers uit komt wat er bij de onderdanen in zit. De heersers hebben de macht, zij hebben de kans om te bereiken wat alle mensen in hun hart verlangen. Dat zit in de mens vanaf den beginne, vanaf de oorsprong. Het oorsprongskwaad. Hij wil aan God gelijk zijn. Hij wil zelf uitmaken wat goed en kwaad is. Hij wil goed kunnen noemen wat kwaad is en kwaad kunnen noemen wat goed is. Dat betekent: hij wil zich van meet af aan losrukken uit zijn diepste afhankelijkheid van God. Daarom is elke zonde allereerst een zonde van hoogmoed. Voor zover het echt zonde is, niet alleen maar zwakheid, maar echt zonde, is het een vorm van zelfverheffing. En die komt voort uit de bron van de eerzucht.
Hoe komen we daar nu van af? Door je te vernederen, door je in het stof te werpen? Blijkbaar is dat niet voldoende, maar je kunt er van af komen door je eer over te laten aan de Vader. Want dit evangelie is niet alleen vol van zorg voor menselijke eer, maar tegelijkertijd ook vol van hemelse onbezorgdheid, omdat er een Vader is die voor je eer opkomt, voor je eer zorgt. "Het is niet aan Mij, zegt Jezus, u te doen zitten aan mijn rechter- of linkerhand, omdat alleen zij dit verkrijgen voor wie mijn Vader het heeft bereid." De Vader zorgt voor je eer, stelt je ereplaats vast. Daarmee geeft Jezus de remedie tegen alle eerzucht. Leid je rijkdommen, je talenten, je succes en ook je eer, terug naar de Bron waarvan je ze gekregen hebt. Je eer is veilig bij je Vader. Hij gaat Zich inzetten voor je eer, je moet er niet zelf aan gaan staan, niet zelf iets aan doen. Dat is eigenlijk een vorm van ongeloof. Dat is eigenlijk niet geloven dat jouw welzijn de Vader ter harte gaat. Het is zoiets als wanneer mensen, tegen de tijd van de lintjesregen, zichzelf de eremedaille op de borst spellen. Dat is belachelijk. Er is bij die lintjesregen natuurlijk wel iets menselijks in het spel, de koningin zoekt dat niet allemaal zelf uit, maar heeft haar tussenpersonen die zo iemand voordragen, maar uiteindelijk moet het van haar komen. Uiteindelijk moet onze eer van God komen.
Het geheim van de laatste plaats, het geheim dat wij de laatste plaats moeten innemen, is op de eerste plaats een geheim van de Zoon. Maar omdat de Zoon helemaal het voorwerp is van de voorkeur van de Vader, is onze laatste plaats, onze mindere plaats, ook een geheim van de Vader. Dat mogen we in iedere eucharistie opnieuw meemaken. Jezus die, vastberaden, als een keuze ingegeven door de heilige Geest, afstevent op de laatste plaats, in de zekerheid dat de Vader Hem daaruit zal verheffen naar de hoogste plaats.