Heilige Joachim en Anna,
ouders van de heilige Maagd Maria
(eigen lezingen)
Eerste lezing: Sirach 44,1.10-15 [IV 64];
Evangelie: Matteüs 13,16-17 [IV 65]
Inleiding
Vandaag viert de Kerk de gedachtenis van de heilige Joachim en Anna, de ouders van de heilige Maagd Maria. Wat is de wijsheid van deze heiligen? Waarom worden zij geroemd? Tot in de eeuwen blijft hun naam levend. Waarom Joachim en Anna? Omdat zij als de grootouders van Jezus hebben gezien wat zovelen vóór hen verlangden te zien en niet gezien hebben. Het evangelie zegt er niets over, vermeldt niet eens hun namen. Het is een apocrief evangelie van Jakobus over Maria, die hun namen voor het eerst noemt. Wij vieren in dit feest dan ook niet zozeer deze beide mensen, maar het geheim van onze verlossing, het geheim van de menswording. "Het Woord is vlees geworden. Hij kwam bij de zijnen." Hij is één van ons geworden. Hij maakt deel uit van ons leven, van ons geslacht. Hij is er werkelijk in binnen getreden, Hij is één van ons geworden met een voorgeslacht, met een grootvader en een grootmoeder. Zo vieren wij met Joachim en Anna onze eigen genade, dat God zo dicht bij ons gekomen is, dat Hij mens geworden is, dat Hij deel uitmaakt van ons leven, en wij daardoor deel uitmaken van zijn leven.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij deze genade niet waardig zijn en dat we ze dikwijls niet kennen en erkennen, en eruit leven. Belijden wij onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Gelukkig úw ogen, omdat zij zien,
en úw oren, omdat zij horen!
Want voorwaar, Ik zeg u:
vele profeten en rechtvaardigen hebben verlangd te zien wat gij ziet,
maar zij hebben het niet gezien;
en te horen wat gij hoort, maar zij hebben het niet gehoord.
Homilie
Gelukkig uw ogen omdat zij zien en uw oren omdat zij horen." Jezus zegt tot zijn leerlingen, dat zij met eigen ogen hebben gezien wat vele profeten en rechtvaardigen niet hebben gezien. Dat wil zeggen wat heel het Oude Testament verlangd heeft te zien, vanaf de profeten tot en met de rechtvaardigen, de wijzen, die met hun wijsheden de boeken van de wijsheid hebben gevuld. Waar heel het Oude Testament naar heeft uitgekeken, dat hebben de leerlingen gezien, dat mochten de apostelen zien. Zo zijn de apostelen zalig te spreken, zo zijn ook Joachim en Anna zalig te spreken.
Nu kunnen wij erover speculeren of Joachim en Anna hun kleinkind inderdaad hebben gezien, of dat zij misschien al gestorven waren, en als ze het hebben meegemaakt dat Jezus geboren werd, zouden ze toen in die baby werkelijk gezien hebben wat wij erin zien? Zouden ze in het opgroeiende kind de Zoon van de levende God hebben gezien? Wij weten hoe gemakkelijk het kennen van Jezus naar zijn aardse afkomst, in zijn zichtbare en hoorbare verschijning, een aanleiding is geworden voor ongeloof eerder dan voor geloof. Toen Jezus in Nazaret zijn wonderen van wijsheid en kracht had geopenbaard, zoals Hij dat ook in de andere steden had gedaan, was juist het kennen van Hem als de zoon van Jozef , "wonen zijn broeders en zusters niet onder ons", een aanleiding tot ergernis, in plaats van tot geloof.
Wat is er dan voor nodig dat het hoorbare en zichtbare je niet tot ergernis wordt, maar tot voertuig voor geloof, tot een middel tot geloof? Daarvoor is het nodig dat je gelooft in God zoals Hij Zich in het Oude Testament heeft geopenbaard. Een heel andere God dan mensen zich spontaan voorstellen. Dat Hij Zich, dwars door het voor de hand liggende beeld van God heen, als heel anders openbaart, als een God van mensen, als een bevrijdende God, als de God van Abraham, Isaäk en Jakob, een God van levenden. Dat Hij Zich openbaart als een nabije God, als een genadige God, een God waarvoor je juist niet bang hoeft te zijn. Het is dus nodig dat je gelooft in God als de God van het Oude Testament. In de lijn van profeten en rechtvaardigen, die geloofden dat God hen ooit zo nabij zou komen, dat Hij één van hen werd. Zoals Mozes, dé profeet. Zo'n soort beeld van God moet je hebben, zo moet je in Hem geloven, in zijn liefde, wil het nabij zijn geen reden tot aanstoot worden, geen reden tot ergernis. "En ze namen er aanstoot aan."
Wat wordt onze wereld dan anders! Wat wordt de mens dan anders! Wat wordt de mens anders doordat God mens wordt. Het is dezelfde mens, maar doordat God mens wordt, komt er een aureool omheen, een glans van heiligheid, van uitverkiezing, van liefde. Er wordt iets aan de mens toegevoegd, waardoor heel zijn kleinheid grootheid wordt, zijn armzaligheid rijkdom, zijn minheid en geringheid luister.
Eigenlijk is het feest van Joachim en Anna uw feest, want Joachim en Anna hebben het mogen zien en u, u mag niets anders zien. U mag van uw roeping zelfs niets anders zien dan alleen Jezus. Niets stellen boven Jezus, hier in het heilig Sacrament.