Dinsdag in de zestiende week
        van het even jaar
        H. Apolinarius, bisschop en martelaar


Eerste lezing: Micha 7,14-15.18-20  
Evangelie: Matteüs 12,46-50


Inleiding  

'Wij gaan op naar het huis van de Heer', zongen we in de inleidingzang. Wie zijn die 'wij' in dit lied? De stammen van Israël, in de beleving van hun nationale eenheid, het nationale wijgevoel, maar daarbij geïnspireerd door een hogere eenheid, een nog sterker, bindende kracht, de stammen van Hem, van Jahweh, onze God. God, die ons zijn volk heeft genoemd, die Zich met ons inlaat, zorg heeft voor ons. Wij hebben dat gezang van hen overgenomen. Maar wij, christenen, zijn niet meer een etnische, nationale eenheid, wij zijn niet van eenzelfde cultuur, van dezelfde bloedgemeenschap, zoals de Joden, wij komen van vele kanten bij elkaar. Wat ons bindt is niet meer een nationale kracht, hoe groot die ook moge zijn, wat ons bindt, is de wil van de Vader in de hemel. 'De stammen van Hem, van Jahweh.' Wij willen nu zijn wil gaan doen. Wat wil Hij dan? Hij wil dat wij de gedachtenis vieren van zijn Zoon, die aan ons denkt met heel zijn leven. Daaraan willen wij nu denken.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij onze samenhang, onze eenheid, zoeken buiten de wil van de Vader, in onszelf, in ons menselijk welbehagen, in de nabijheid en geborgenheid van mensen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd, terwijl Jezus tot het volk sprak,
gebeurde het dat zijn moeder en broeders buiten stonden
om te trachten met Hem te spreken.
Iemand kwam Hem nu zeggen:
“Uw moeder en broeders staan daarbuiten
en willen U spreken.”
Maar hij antwoordde aan degene die Hem dit kwam zeggen:
“Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?”
En met een gebaar naar zijn leerlingen zei Hij:
“Ziedaar mijn moeder en mijn broeders;
want mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder zijn zij
die de wil volbrengen van mijn Vader in de hemel.”

Homilie  

Er zitten twee kanten aan dit evangelie. Een harde kant: de houding van Jezus tegenover zijn eigen familie, tegenover zijn moeder en zijn broeders. Hij laat ze buiten staan; en dat niet alleen, Hij kent ze zelfs niet: "Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?"

Wij zijn geneigd mee te voelen met Maria en zijn bloedverwanten, met hun persoonlijk gevoel van gekwetstheid. Hij stelt hen teleur, Hij doet hen verdriet. Maar er is hier veel meer in het geding, het gaat hier niet alleen om iets waarover mensen persoonlijk gebelgd kunnen zijn, het geldt hier een heilige zaak, de zaak van het bloed, de eigen familie die immers altijd voorgaat. Zo is het nog in elke samenleving die niet door de Westerse invloeden wordt overheerst: wordt iemand bevorderd tot een hogere functie dan deelt heel zijn familie in die eer. Stijgt iemand op de maatschappelijke ladder, maakt iemand carrière, dan stijgen alle familieleden mee.

U moet zich dat zo voorstellen: Jezus is omringd door veel volk tot wie Hij het woord richtte. Zijn familie komt eraan en vanzelfsprekend rekenen deze op een bijzondere ontvangst, de familieband geeft daar recht op. Het omringende volk vindt dat ook niet meer dan vanzelfsprekend: "Iemand kwam Hem nu zeggen: uw moeder en broeders staan daarbuiten en willen U spreken." Ze zijn bereid onmiddellijk ruim baan te maken. Jezus kan er niet omheen, zij hebben recht op Hem. Dat is aller verwachting. Maar Jezus is gekomen om alles op Hem te betrekken. Wat gelding heeft in de samenleving wordt door Jezus ontkracht. "Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?"

Een dramatisch woord, een drastisch gebaar, een daadwerkelijke verkondiging van wie Jezus is, dat snijdt er diep in. Toen, en iedere keer als de liefde tot de bloedverwanten zich doet gelden. Is de familieband dan slecht? Zij is toch door God geschapen en geheiligd? Er staat immers geschreven: "Eer uw vader en uw moeder"!? (Ex 20,12). Het goede kan in zichzelf verzelfstandigd worden, en dat is niet de bedoeling, alles moet open zijn naar Hem toe. Dat kan hard aankomen en verslagenheid, verontwaardiging oproepen.

Maar dit evangelie heeft ook een zachte kant: "Met een gebaar naar zijn leerlingen zei Hij: Ziedaar mijn moeder en mijn broeders.” Als je Jezus echt volgt, “met een gebaar naar zijn leerlingen", kan er een onderlinge vertrouwelijkheid ontstaan als in een echte familie. Dan hoef je niet bang te zijn als bepaalde voorrechten je worden ontnomen, als de voorrechten die aan een bloedverwanten toekomen, je zullen ontbreken. Hoe gering je afkomst ook is, voor Jezus hoor je er echt bij.

Hoe hecht die band is, wordt ons verkondigd in de eucharistie: niet alleen een transsubstantiatie, een zelfstandigheidsverandering van brood en wijn in het lichaam en bloed des Heren, maar ook een transsubstantiatie van onszelf. Wij worden veranderd in Hem: 'been van zijn gebeente, vlees van zijn vlees' (vgl.  Gn 2,23). Wij vormen één familie, één Geest met de Vader en de Zoon, wij zijn van zijn geslacht. "Wij worden kinderen van God genoemd en we zijn het ook” (1 Joh 3,1). “En het bewijs dat ge zonen zijt: Hij heeft de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept: Abba, Vader" (Gal 4,6).